skip to main content

Juli 2012: Wat zijn ‘gekaapte brieven’ en waarom worden ze door vrijwilligers overgetikt?

Wat zijn ‘gekaapte brieven’ en waarom worden ze door vrijwilligers overgetikt?

Het antwoord wordt gegeven door Nicoline van der Sijs

Deze vraag komt, in allerlei bewoordingen, regelmatig binnen bij het Meertens Instituut, sinds in november vorig jaar een vrijwilligersproject van start is gegaan waarbij Nederlandstalige gekaapte brieven met subsidie van het Prins Bernard Cultuurfonds worden ontsloten en getranscribeerd.

Gekaapte brieven

Gekaapte brieven zijn documenten die zich bevonden aan boord van Nederlandse schepen die door de Engelsen werden buitgemaakt in een van de vier oorlogen die Groot-Brittannië en de Republiek in de 17de en 18de eeuw hebben gevoerd. De hele lading van een gekaapt schip werd in beslag genomen – met de documenten kon worden bewezen dat het ging om een Nederlands schip, en de kaping dus rechtmatig was geweest: kapen mocht alleen in oorlogstijd. De documenten van de gekaapte schepen belandden in het archief van de High Court of Admiralty (thans onderdeel van The National Archives in Kew), waar de Nederlandse historicus S. Braunius ze in 1980 herontdekte. De gekaapte brieven staan in het Engels bekend als sailing letters; ze worden ook wel ‘kaperbrieven’ genoemd, maar dat is onjuist: kaperbrieven is de juridische benaming voor een machtiging vanwege het gouvernement om de kaapvaart uit te oefenen. Tot nu toe hebben wij tussen de gekaapte brieven geen kaperbrieven aangetroffen.

alt

Vrijwilligers

Hoeveel gekaapte brieven er in het Engelse archief zijn, is vooralsnog niet duidelijk; er wordt vaak een aantal van 30.000 genoemd, maar het kunnen er veel meer zijn. Lang niet alle archiefdozen zijn bekeken. Wel zijn er van circa 8500 documenten foto’s gemaakt. Tot voor kort wisten wij niet precies wat er op al die foto's stond, maar dankzij het noeste werk van een groep van 100 vrijwilligers hebben we daarin inzicht gekregen. De vrijwilligers hebben namelijk in korte tijd van elk gefotografeerd document gegevens als afzender, geadresseerde, datum en tekstsoort geïnventariseerd. Daardoor kon meteen al een belangrijke schifting in het materiaal worden aangebracht, want de circa 3000 foto’s van blanco achterkanten of omslagen, van touwtjes en linten, en van toevallig in de dozen terechtgekomen pagina's uit gedrukte boeken of tijdschriften hoeven niet te worden getranscribeerd.

Brieven boven water

Zo bleven er altijd nog 5500 foto's over met te transcriberen tekst. Wat voor documenten zijn dat nu? Vaak wordt gedacht dat het uitsluitend gaat om persoonlijke brieven. Dat komt omdat deze brieven, die nooit bij de geadresseerde zijn aangekomen, veel publiciteit hebben gekregen: zo heeft Roelof van Gelder er het boek Zeepost aan gewijd, en heeft de KRO er tweemaal een serie op gebaseerd, met de titel Brieven boven water. Nu we een eerste overzicht hebben van de documenten, blijkt dat het aantal zakelijke documenten op de schepen ongeveer even groot is als het aantal persoonlijke brieven. De zakelijke documenten zijn van allerlei aard. De meest voorkomende typen zijn financiële maand- of jaaroverzichten, kwitanties, inventarislijsten, rekeningen, kasboeken, vrachtbrieven, notariële aktes, wisselbrieven en naamlijsten van slaven. Zowel de persoonlijke brieven als de zakelijke documenten zijn voer voor onderzoekers, en worden nu door de vrijwilligers getranscribeerd. Voorbeelden zijn al te vinden in de vier tot dusver verschenen delen van het Sailing Letters Journaal.

Op 8 oktober 2012 lanceert Meertens Instituut in het kader van Oktober Kennismaand de website waarop de eerste resultaten van het vrijwilligersproject beschikbaar komen: iedereen kan dan kennisnemen van de rijke en gevarieerde inhoud van de gekaapte brieven. Meer infomatie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier

alt

 

 

altGoed nieuws voor alle lezers die niet genoeg kunnen krijgen van ‘Het bureau’ door J.J. Voskuil. Naast de zeven originele delen en het daarop gebaseerde hoorspel (dagelijks te beluisteren op Radio 1) kan de liefhebber op 14 juli aanstaande het eerste deel kopen van de Duitse vertaling van de romancyclus. Als de Duitsers net zo enthousiast reageren als de Nederlanders dat 16 jaar geleden deden, zullen ook de overige zes delen in Duitse vertaling op de markt worden gebracht.

In de bibliotheek van het Meertens Instituut is sinds kort een voorproefje van dit boek opgenomen. In de leesproef van 64 pagina’s is informatie te vinden over Voskuil, over Het Bureau en over de vertaling. Er is ook een aantal fragmenten uit de vertaling opgenomen, waaronder ‘Tod auf der Toilette’ en ‘Die Dienstreise’.

De vertaler van het Bureau is de in Dortmund woonachtige Voskuilfan Gerd Busse. Hij denkt dat de kantooravonturen van Maarten Koning een internationale geldigheid bezitten en dat ze daarom ook in het Duitse taalgebied zullen worden gewaardeerd. Das Büro is wereldwijd de eerste vertaling van deze serie van J.J. Voskuil, die in bijna 5000 pagina’s een beeld geeft van een ambtelijke organisatie in de jaren ‘50 tot ‘80. Dat deed Voskuil uit naam van zijn alter ego, Maarten Koning, die werkzaam was bij het A.P. Beerta-Instituut (een variant op het Meertens Instituut waar Voskuil zelf werkzaam was van 1957 tot 1987).
Het uitgeven van zo’n omvangrijke romancyclus een kostbare zaak, en het duurde dan ook jaren voordat Busse een uitgever tot publicatie kon verleiden. Het eerste deel van ‘Das Büro’ heet ‘Direktor Beerta’ en telt 848 pagina’s. ‘Der Kultroman aus den Niederlanden’ verschijnt bij uitgeverij C.H. Beck.
 

Aan het begin van het bedevaartseizoen is de Nederlandse Bedevaartbank verrijkt met twee fotoseries. De eerste is een selectie uit een zwart-witreportage die onderzoeker Peter Jan Margry begin jaren ’80 van de vorige eeuw maakte; in de 21e eeuw werd de Nederlandse bedevaartcultuur opnieuw vastgelegd.

De eerste fotoserie is een selectie uit een zwart-witreportage die onderzoeker Peter Jan Margry begin jaren ’80 van de vorige eeuw maakte, toen hij als student een foto-opdracht van de provincie had gekregen om de 'uitstervende' bedevaartcultuur in Brabant vast te leggen voordat het 'te laat' zou zijn.

In de 21e eeuw werd de overigens nog altijd levende Nederlandse bedevaartcultuur opnieuw vastgelegd. Dit keer in een kleurenreportage van Dick en Bea Hoeks-De laat. Hun serie ‘Moderne bedevaart- en processiecultuur’ geeft een impressie van deze fenomenen in het Nederland van nu. De foto’s leveren een belangrijke bijdrage aan de kennis van de bedevaartcultuur in Nederland. In de toekomst zullen beide fotoseries nog verder uitgebreid worden met materiaal dat momenteel wordt gedigitaliseerd.

 

In de nieuwsbrief van juni een interview met Marieke Lefeber over haar onderzoek naar achttiende-eeuwse muziek op bellenspeelklokken. Verder aandacht voor een nieuw boek over straatzangers, de tekst van de oratie van Leonie Cornips en antwoord op de vraag hoe populair de namen van onze voetbaljongens zijn.

6 mei 2002

Massaal verdriet in tientallen dozen

Robert Stiphout

De een zong een cd vol, de ander strikte een das om een knuffelbeer. Na de moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002 brachten duizenden een eerbetoon aan de politicus en oud-columnist van Elsevier op geïmproviseerde herdenkingsplaatsen. Voor zijn huis in Rotterdam, op de Dam in Amsterdam en het Mediapark in Hilversum, waar hij werd vermoord, lagen beren, bloemen, voetbalsjaaltjes, tekeningen, maar ook met Fortuyn verbonden spullen als dassen, sigaren en wijn.

Senior onderzoeker religieuze cultuur Peter Jan Margry (56) van het Meertens Instituut in Amsterdam vergaarde met toestemming van de familie Fortuyn de memorabilia. Een deel lag in de enveloppenfabriek van Fortuyns broer. Een ander deel haalde hij voor dag en dauw uit Fortuyns graf in Driehuis nadat Fortuyn naar zijn permanente graf in Italië was gebracht. ‘Mensen konden het als grafschennis zien, vandaar zo vroeg.’

In het Meertens Instituut ligt 20 meter verdriet in dozen – ook kaarten, brieven, werkjes, cd’s en video’s die aanhangers naar familie van Fortuyn stuurden. Sommigen volstonden met het adres ‘Gemeente Rotterdam. Condoleance Pim’. Ook liggen er circa 1.500 condoleanceregisters. De boodschappen zijn vaak erg emotioneel, zoals verwensingen naar politieke vijanden (‘Gooi ze uit een vliegtuig’). De meeste teksten stralen affectie uit (‘Pim we houden van je’). Er is een doos vol liefdesverklaringen van vrouwen.

Volgens onderzoeker Margry tonen de stukken dat Fortuyn door een groot deel van het publiek heilig werd verklaard. ‘Sommigen schreven Fortuyn bovennatuurlijke krachten toe, hoopten dat hij vanuit de hemel over hen en over Nederland zou blijven waken.’ Iemand legde voor hem een christusbeeld neer: Pim als messias.

Velen noemen hem in één adem met vermoorde grootheden als John F. Kennedy en Martin Luther King. Toch duurde de verering kort. Op latere herdenkingen verscheen een handjevol mensen. Uit het oog, uit het hart? Margry: ‘Toen andere politici zich zijn agenda en rol toeëigenden, was het voorbij.’

Bron: Elsevier, 5 mei 2012

www.elsevier.nl

Op 15 mei 2012 werd voor de vierde keer de Dag van het Nederlandse Lied gehouden, die dit jaar in het teken stond van populaire achttiende-eeuwse muziek. Ook het onlangs verschenen nieuwe nummer van het Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis had dit onderwerp als thema. Verschillende medewerkers van het Meertens Instituut leverden een bijdrage aan het nummer. Marieke Lefeber, musicoloog en onderzoeker in opleiding, schreef een artikel over haar onderzoek naar achttiende-eeuwse muzikale bellenspeelklokken: ‘Speelklokken waren een luxeproduct voor de elite, maar het repertoire bestond voor een groot deel uit eenvoudige melodieën afkomstig uit lagere milieus’. Vandaag de dag zouden we de muziek wellicht ‘volks’ noemen.

Door: Annemieke Arendsen

Bellenspeelklokken zijn huisklokken die mensen in de achttiende eeuw bijvoorbeeld op de schoorsteenmantel of als staande klok in huis hadden staan. Naast dat ze de tijd aangaven, speelden ze een melodie, bijvoorbeeld om het kwartier. Lefeber: ‘Het fascinerende aan de bellenspeelklokken uit die tijd is dat ze tweehonderd jaar geleden hetzelfde klonken als nu. Als je zo’n  klok hoort spelen, ben je in wezen dichter bij het verleden dan wanneer je een hedendaagse live-uitvoering van oude muziek hoort.’

 Identificatie van melodieën

’Ik ben in mijn onderzoek vooral geïnteresseerd in wat voor melodieën op de klokken stonden, wie de klokken in bezit hadden en waarom. Zo hoop ik met mijn onderzoek meer te weten te komen over de cultuur- en muziekhistorische achtergrond van de klokken en hun repertoire.’  Voor haar onderzoek gebruikt Lefeber een corpus van opnames van melodieën van speelklokken. Deze opnames zijn gemaakt door een in bellenspeelklokken gespecialiseerde  klokkenmaker, aangevuld met klokken van Museum Speelklok. Tijdens haar zoektocht naar de identificatie van de melodieën maakt zij veel gebruik van de Nederlandse Liederenbank. Bij een aantal klokken stonden de namen van de melodieën erop gegraveerd. ‘Die namen zocht ik op in de liederenbank en soms vond ik dan een match.  Op die manier kon ik een aantal melodieën identificeren. Dit lukte niet altijd, omdat de namen van de melodieën op de klokken soms erg algemeen waren, zoals ‘menuet’ of ‘mars.’ Wat hierbij van grote waarde was, was het project van collega en postdoc Peter van Kranenburg. Hij maakte de zoekmachine ‘Witchcraft’ waarin melodieën terug te zoeken zijn, niet alleen op hun naam, maar ook op hun notenschrift. Hierdoor   heb ik veel melodieën alsnog weten te identificeren.’

alt

De gelukkigste mensen ter wereld

Een verrassende ontdekking die Lefeber tijdens haar onderzoek deed is dat,   hoewel de klokken vooral als luxe-object dienden bij een rijke elite, de melodieën die erop stonden vaak refereerden aan heel andere milieus. Het waren eenstemmige, eenvoudige deuntjes met Hollandse titels als ‘de dronken boer’ die ook terug te vinden zijn in handschriften en drukwerken uit die tijd. Dit ondersteunt de opvatting die sommige musicologen al wat langer hebben: dat dit eenvoudige repertoire niet per se alleen voor ‘het volk’ werd gespeeld, maar dat ook de elite graag naar de ‘boerendeuntjes’ luisterde. Deze muziek werd dan bijvoorbeeld gebruikt in de muzieklessen.   De namen die aan de melodieën werden gegeven hadden vaak iets met ‘boer’ erin: ‘boerenballet’, ‘de dronken boer’. Het luisteren naar dit soort ‘boerendeuntjes’ past in een culturele trend. In de achttiende eeuw had de elite een hang naar het ‘ongerepte’ boerenleven. Het eenvoudige leven, dat nog niet onder Franse invloed stond, werd geïdealiseerd. Zo noemt de achttiende-eeuwse geschiedschrijver Le Francq ban Berkhey boeren ‘de gelukkigste mensen terwereld.’ In de beslotenheid van hun eigen huis kon de elite naar dit soort melodieën luisteren.

Klinkende verhalen

Naast haar werk bij het Meertens Instituut is Lefeber ook werkzaam als conservator bij Museum Speelklok in Utrecht. Hier zijn naast klokken ook andere automatische muziekinstrumenten te zien, zoals draaiorgels. Op deze plek werd Lefebers belangstelling voor de achttiende-eeuwse klokken en hun repertoire gewekt. ‘In het museum werd altijd veel aandacht geschonken aan de technische kant van de instrumenten. In de toekomst willen we onder het motto ‘klinkende verhalen’ in de presentatie   meer aandacht gaan besteden aan de muzikale en culturele achtergrond van de instrumenten. Zo hopen we straks met behulp van mijn onderzoek meer te kunnen zeggen over de culturele context van de bellenspeelklokken en de melodieën,   om zo het verhaal achter de instrumenten te kunnen vertellen.’

Illustraties: 1. Marieke Lefeber 2. Voorbeeld van melodieën op een achttiende eeuwse speelklok

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier.

altIn de bibliotheek van het Meertens Instituut is een boek opgenomen waarin zo’n honderd liederen zijn opgenomen die op straat werden uitgevoerd door Vlaamse marktzangers. Dat waren geliefde zangers die hun geld verdienden met het uitvoeren van gebeurtenisliederen op openbare plaatsen. Als een berijmde krant (maar met humor) bezongen ze de gebeurtenissen van de dag. In veel gevallen ging het over sport, een populair onderwerp bij het Vlaamse volk. Met name wielrennen, volkssport nummer één, was een gewild onderwerp.

De liederen in het boek dateren vanaf het begin van de 20e eeuw (toen het wielrennen als sport populair werd) tot ongeveer 1950 (de tijd dat de marktzangers uit het straatbeeld verdwenen en plaats maakten voor de grammofoonplaat die aan een eigen triomftocht begon). Roger Hessel, de schrijver en samensteller van het rijk geïllustreerde werk, stelt vast dat vanaf dat moment de teksten van de wielerliederen kwalitatief slechter en ook kleurlozer werden. In 1935 was van verslechtering nog geen sprake. In dat jaar won de Belg Romain Maes de Tour de France, en tekstdichter en marktzanger Frans Jacobs verscheen spoedig met een marktlied (te zingen op de wijze van De Chiqué) waarin hij de triomfen van Maes bezingt:

Want Romain Maes dat is ne man die goed kan rijden
In menig koersen levert hij ne schoone strijd
Want vele renners wilden hem soms zoo benijden
Omdat hij wegkaapt zoo menig eereprijs.

In het refrein vermeldt hij voor de goede orde welke algemene capaciteiten er in zijn tijd nodig waren om een groot wielrenner te worden:

Maar voor coureur te worden moet ge kunnen rijden
Ja de beenen mogen in geen knoopen slaan
Men mag niet drinken of niet rooken of niet vrijen
En niet te vroeg al bij de jonge meisjes gaan.

Duvels op de kasseien : marktliederen over de wielersport door Roger Hessel.
Uitgave: Vriendenkring Kunst Houtland, ISBN 978 94 91443 01 5.
Meer over dit onderwerp: in de collectie van het Meertens Instituut bevindt zich een collectie Nederlandse straatliederen waarvan een deel ook de sportbeoefening tot onderwerp heeft.


Plaats: Trippenhuis/KNAW Amsterdam
Tijd: 13.30-17.00 uur

Op 13 juni 2012 organiseert het innovatienetwerk Cultureel Erfgoed – een van de zeven netwerken binnen de topsector Creatieve Industrie – een bijeenkomst. Het hoofddoel van deze middag is het bijeenbrengen van de verschillende partijen op thema’s waarbij erfgoed een dwarsverband met andere innovatienetwerken heeft. De sessie vindt van 13.30-18.00 plaats in het Trippenhuis/KNAW in Amsterdam.

 

 

De middag wordt gestart met een plenair, informatief deel over de financieringsmogelijkheden, zoals ondersteuning van onderzoeksactiviteiten vanuit het ministerie van EL&I en de onderzoekscall die door NWO en TNO voor de creatieve industrie in juni wordt gelanceerd. Daarna gaan we in werksessies met concrete projectplannen, consortia en onderzoeksvragen aan de slag. Dit gebeurt via pitches; korte presentaties van onderzoeksideeën of kennisvragen. De opzet is dat na 13 juni projectplannen worden uitgewerkt en consortia gevormd die ook daadwerkelijk projecten willen opzetten met andere bedrijven, overheden en kennisinstellingen.

 

De NWO/TNO richt zich op alle innovatienetwerken binnen de creatieve industrie. Voor erfgoed is de call gericht op dwarsverbanden die zijn beschreven in de innovatieagenda (zie bijlage, p.12). Het gaat om crossovers tussen erfgoed en:

(1)   Games for Safety, Health, Education and Industry (GATHER)

(2)   Media & ICT

(3)   Built Environment, Architecture & Urbanism (BEAU)

(4)   Next Fashion

 

Wilt u een pitch houden of de pitches van anderen bijwonen? Schrijft u zich dan in via het online inschrijfformulier. Ook als u al (een) partner(s) heeft gevonden, kunt u een presentatie houden om zodoende uw consortium uit te breiden

 

Mocht u vragen hebben, dan kun u deze gerust stellen aan de coördinator van het innovatienetwerk cultureel erfgoed, Patricia Alkhoven (patricia.alkhoven@meertens.knaw.nl).

Meer informatie over het innovatienetwerk CLICK Erfgoed is te vinden op hun website.

 

Bestaat er een eenduidige versie van het verhaal dat kinderen uit de kool komen? Hoe typisch Nederlands is dit verhaal eigenlijk, en hoe lang bestaat het al?

Vraag gesteld door Kay Kloosterboer.

Het antwoord wordt gegeven door Olga Leonhard, stagiaire DOC Volksverhaal
 

 

Rode kool, witte kool, boerenkool…

‘Het’ verhaal over kinderen die uit de kool komen bestaat niet. Omdat het om een volksverhaal gaat, hebben we per definitie met verschillende versies te maken. Volksverhalen worden immers mondeling doorverteld, waardoor gemakkelijk details worden weggelaten of toegevoegd. Hierdoor ontstaan verschillende versies die maar een paar kernelementen met elkaar hoeven te delen. In Nederland zijn er bijvoorbeeld kinderen die uit de boerenkool komen, maar ook uit de witte, rode en savooiekool. Tot na de Tweede Wereldoorlog vertelde men in Nederland nog dat de kleur van de kool het uiterlijk of geslacht van het kind zou bepalen: meisjes en bleke jongens kwamen uit de witte kool, roodharigen en jongens met een gezonde huidskleur kwamen uit de rode kool. Het bakerpraatje van de kolenherkomst komt blijkens de Nederlandse Volksverhalenbank ook voor in andere, uitgebreidere verhalen, bijvoorbeeld in die over Klein Duimpje: Klein Duimpje wordt dan in de kool gevonden. Dat deze versie al langer bestaat bewijst een prent uit 1800 waarop ‘Klein Duimken’s leven’ staat afgebeeld, met op het eerste plaatje Klein Duimpje die uit de kool komt en de tekst: "Klyn Duymken, uyt een Kool gekoômen / Word van de Moeder aengenoômen." Nog ouder is de uitspraak van een jongen in een blijspel uit 1696: “Mijn Elsje is zóó onnoozel, dat zij denkt, dat de kinderen in de bloemkool groeijen.”

alt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bakerpraatje

Het verhaal van kinderen die uit de kool komen is een voorbeeld van een bakerpraatje; een verhaal met een ontwijkende verklaring en daardoor onjuiste bewering omtrent de zwangerschap. De kool is niet de enige plek waar kinderen door de geschiedenis heen zijn aangetroffen. Kinderen kwamen in Nederland bijvoorbeeld ook uit stenen (in Urk bijvoorbeeld uit de Ommelebommelesteen; in Friesland uit de poppesteen), uit bronnen en putten, ze zijn geplukt uit bomen (bijvoorbeeld uit de Munnekenboom in Utrecht; de holle iep bij Kraantje Lek in Haarlem), aangevoerd door boten, gekocht bij de boer, gebracht door de baker en, wellicht het bekendste voorbeeld, in een buideltje aangevlogen door de ooievaar.

Deze gekuiste verhalen zijn natuurlijk erg handig om uit de hoge hoed te toveren wanneer een nieuwsgierig kind voor het eerst op de proppen komt met de gevreesde vraag ‘waar komen baby’s eigenlijk vandaan?’ Dat gold vroeger destemeer: in de middeleeuwen en nog lange tijd daarna heerste een taboe op seksualiteit, mede onder invloed van de kerk.

Typisch Nederlands?

Het verhaal blijkt niet typisch Nederlands: ook in bijvoorbeeld België, Duitsland, Spanje, Italië, Ierland, de Verenigde Staten en met name Frankrijk komt het voor. In welk land het nu het eerst is ontstaan is moeilijk te achterhalen, maar het verhaal geniet wel duidelijk een grote populariteit in Frankrijk. Bovendien is het waarschijnlijk dat het verhaal vanuit Frankrijk naar Nederland is overgewaaid. Haverkamp (1948) schrijft namelijk, in een boekje over verhalen omtrent de herkomst van kinderen: “[…] op onze tocht langs de levensoorsprongen, herinner ik er in de eerste plaats aan, dat in Frankrijk – men weet het uit de lesboekjes van het eerste uur Frans! – de kinderen van oudsher uit de kool komen”. In Spanje is er een recept vernoemd naar het verhaal dat kinderen uit de kool komen: kool gevuld met gehakt en groente heet daar Niños envueltos en repollo, oftewel ‘kinderen gewikkeld in kool’. In de Verenigde Staten kwamen in 1978 de Cabbage Patch Dolls ten tonele, poppen die uit een kool komen. Dit speelgoed ontpopte zich tot een grote rage in de VS in de jaren tachtig.

Ontstaan van de kool als ‘kinderdrager’

De eerste koolsoorten ontstonden al meer dan 4000 jaar geleden, waarschijnlijk rond het Middellandse Zeegebied. Het is dus een hele oude groente, en was al populair bij de oude Grieken en Romeinen: de bekende Romeinse staatsman Cato bijvoorbeeld noemde kool “de groente die alle andere groentes overstijgt” (De Agri Cultura, 160 v.Chr.). Qua datering lijkt de oudste Nederlandse bron voor het verhaal van kinderen uit de kool, volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal, te stammen uit 1644. Een figuur uit het boek Klucht-Hoofdige Snorrepijpen I, geschreven door Isaac Burghoorn, uitte toen de woorden: “Ick heb daer een Kint helpen halen uytte kool, hier tot onse An”. Burghoorn schreef echter op wat hij gehoord had: het begrip van het kind uit de kool moet dus al eerder dan 1644 in Nederland hebben bestaan.

Waarom de kool in de volksmond zo’n populaire herkomstplek van kinderen is geworden, kan niet met zekerheid worden vastgesteld – het blijft speculatie. Maar een aantal zaken maken de kool wel een aannemelijke kandidaat voor de rol van ‘kinderdrager’. Het is bijvoorbeeld een gelaagde groente die blaadje voor blaadje gepeld kan worden, waardoor er makkelijk iets in ‘verstopt’ kan zitten. Daarnaast was de kool alomtegenwoordig: de voedzame groente was goedkoop en werd door iedereen, arm en rijk, gegeten.

alt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Komen kinderen in de toekomst nog wel uit de kool?

Het verhaal van de ooievaar was samen met die van de kool een tijdlang het populairst in Nederland; tegenwoordig is dat vooral de ooievaar. Die wordt bijvoorbeeld nog steeds afgedrukt op geboortekaartjes, in tegenstelling tot de kool. Dit heeft mogelijk te maken met veranderende ideeën over de geboorte: vroeger moest het kind dankbaar zijn dat het als één uit duizenden door zijn ouders uit een kolenveld werd geplukt, tegenwoordig is een baby een kostbaar geschenk dat door de ooievaar wordt gebracht en dankbaar door de ouders in ontvangst wordt genomen (de Jager, 1981). Hoe lang het verhaal van kinderen die uit de kool komen nog als bakerpraatje verteld zal blijven worden, is dus maar de vraag…

 


Ook een vraag voor het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (mei 2012). Ook abonnee worden? Klik hier

 

Belangrijkste bronnen:

-Haverkamp, O. (1948). Als Het Kindje Binnenkomt… Een folkloristische wandeling langs de oorsprong van ons Nederlandse volk. Naarden: N.V. Uitgevers-Mij A. Rutgers.

-Jager, J. L. de. (1981). Volksgebruiken in Nederland. Utrecht: Het Spectrum.

Zie ook de website van dhr de Jager: www.feestenenrituelen.nl

 

In 1792 maakte de predikant Albertus Hoefhamer een plezierreisje naar Gelderland en Overijssel. Hoefhamer was toen 33 jaar oud. Hij werd op zijn reis vergezeld door zijn vrouw Margaretha en zijn zoontje IJsbrandus, 2 jaar oud. Het gezelschap vertrok op 14 juni uit Amsterdam en op 23 juli kwamen ze weer thuis. We weten dat zo precies doordat Hoefhamer een verslag van deze reis maakte. Dat handgeschreven ‘memorieboekje’ is opgenomen in de collectie van het Meertens Instituut.

Het kleine boekje geeft een boeiend inkijkje in de zomerbesteding van een welgestelde dominee en zijn gezin. Het drietal trekt eerst over de binnenwateren naar Zwolle, en vandaar verder over land. Bij diverse familieleden wordt er thee gedronken, af en toe een pijp gerookt en de sociëteit bezocht, “voorzien van een goed billart.” Hoefhamer vermeldt allerlei details over de maaltijden (boterham met aardbeien), over gezondheidskwesties (reuma, maar goed geslapen) en over de bezienswaardigheden die worden bezocht (de Buitenkerk in Kampen werd “smerig en groot” bevonden).  Elke zondag wordt de kerk bezocht en de preek en de besproken bijbelplaatsen beknopt besproken. Bijzonder is ook de verantwoording van de uitgaven die Hoefhamer bijhoudt. Zo kostte het bootreisje 14 gulden, en de totale reis maar liefst 240 gulden en 8 stuivers. Inclusief fooien aan de voerman en de ‘knegt’.

alt

Foto: Diedrik van der Wal