skip to main content

Nieuw in de collectie: Boeken over Nederland

Het verzamelgebied ‘Nederland’ is al sinds jaar en dag een belangrijk verzamelgebied geweest voor de bibliotheek van het Meertens Instituut. Dat kan ook niet anders voor een instituut dat zich in brede zin richt op onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur. Maar in de afgelopen maanden heeft de aanwinstenkast aanzienlijk meer rood-wit-blauw-getinte boeken getoond. Dat heeft alles te maken met een nieuw onderzoeksproject van het Meertens Instituut: ‘Nederlandsheid’.

In dit project wordt de herontdekking van ‘Nederlandsheid’ onderzocht. Na de aanslagen van 09-11 en de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh lijkt dit begrip nieuw leven ingeblazen te zijn. Het project richt zich op het benoemen, bevorderen of commercieel te gelde maken van wat als ‘echt’ of ‘typisch’ Nederlands wordt ervaren. Gaat het hier om oude constructies die weer zijn afgestoft? Welke rol spelen processen als globalisering en medialisering? En is er in de politieke arena ook iets te merken van die herontdekking?
Het onderzoek zal worden uitgevoerd met behulp van veldwerk, interviews en enquêtes, maar er zal daarnaast ook gebruik worden gemaakt van literatuur over Nederland en de Nederlandse identiteit. Een greep uit de recente bibliotheekaanwinsten op dit gebied:

  • Charlotte Dematons, Nederland
    Een prachtig prentenboek over alles wat Nederland Nederlands maakt, van de Kameleon tot de rollator.
  • Gijs van der Ham, De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen
    Een beeld van de geschiedenis door middel van honderd verhalen bij evenzovele voorwerpen uit het Rijksmuseum.
  • Colleen Geske, Stuff Dutch people like
    In dit boekje wordt getracht in korte artikelen en steekwoorden een beeld te geven van  de cultuur van Nederland. Van hagelslag, drie zoenen, Zwarte Piet en de beruchte 'Dutch directness'.
  • Horst, Han van der, De mooiste jaren van Nederland
    De auteur groeide op in de tweede helft van de 20e eeuw, een tijd van ongekende voorspoed. Hij schetst de opkomst van Nederland in die periode: een halve eeuw van bevrijding.
  • Thijs Kleinpaste, Nederland als vervlogen droom
    Over de uitholling van het begrip 'natiestaat'. Kan Nederland opnieuw soeverein zijn of is het voorgoed een vervlogen droom uit het verleden?
  • Paul van der Steen, Ware grootheid, schamele kleinte: twee eeuwen Nederland
    Een nogal willekeurig grondgebied met een al even willekeurige groep mensen binnen door buitenlandse mogendheden bepaalde grenzen. Dat was het Koninkrijk der Nederlanden in de eerste jaren. De auteur probeert de nationale geest te vangen door zo'n 60 opmerkelijke gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis te belichten.
  • Jacob Vossestein, Pas op, Nederlanders : over een volk dat minder gewoon is dan het zelf denkt
    Vossestein beschrijft de leuke maar ook de minder plezierige kanten van ons Hollandse doen en laten.

____________________________________________________________

Tekst door Diedrik van der Wal.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2014) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

Much recent sociolinguistic research informed by theories of globalization, superdiversity, and polylanguaging, have a clear bias toward the study of metropolitan, ethnically diverse areas. Areas considered peripheral or marginal vis-à vis centers of political and economic dominance have, until now, received relatively little attention (notable recent exceptions are the contributions to Pietikäinen & Kelly-Holmes, eds. 2013).

Of course, people living in the ‘margins’ are not immune to the effects of globalization and rapid technological change. More than ever before, people, material objects, as well as images, sounds, and other immaterial cultural objects are constantly on the move. As they move and mix through time and space, they constantly form new ensembles and are invested with novel, instable, often ambiguous meanings.

This workshop wants to clarify how under such conditions of globalization and superdiversity processes of identity formation in the ‘margins’ are driven by power asymmetries between people living in the center and the periphery.

Workshop programme.

Op donderdag 3 april om 16.00 uur spreekt Peter Jan Margry zijn oratie uit getiteld 'Bloed Kruipt! Over de Culturele Hemoglobine van de Samenleving' waarmee hij het ambt aanvaardt van hoogleraar Europese etnologie aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Lees ook het nieuwsbericht over deze benoeming.

Heb je nou je zin! is het nieuwste boekje van Marc van Oostendorp over: zinnen. Van Oostendorp legt hierin op een eenvoudige manier de belangrijkste wetenschappelijke inzichten over taal bloot. Zinnen spelen in dit boekje de hoofdrol omdat zij cruciaal zijn voor ons begrip van taal. Zinnen weerspiegelen de structuur van onze gedachten en geven daarmee een uniek kijkje in ons brein.

door Mathilde Jansen

“Een zin is net een sinterklaassurprise”, zegt Van Oostendorp enthousiast. “Helemaal binnenin zit een cadeautje en daar zitten allemaal lagen pakpapier omheen. Dat cadeautje is een gedachte. Die lagen van pakpapier zijn er omdat een zin nooit alleen maar een gedachte is, maar een gedachte die je de wereld in slingert en waar mensen vervolgens hun eigen interpretatie aan kunnen geven.”
Met deze metafoor wordt in een keer de belangrijkste gedachte van het boekje duidelijk: een zin is tegelijkertijd een weerspiegeling van iemands binnenwereld én van de wereld daarbuiten. Wanneer je je gedachte met iemand deelt, let je ook op de formulering: die moet bijvoorbeeld duidelijk zijn, of beleefd, of mooi (als je bijvoorbeeld een gedicht voordraagt), afhankelijk van de situatie.

Chomsky

Sommige mensen denken dat het onderzoek naar zinnen pas is begonnen met Chomsky. Maar in de 17e eeuw waren er ook al allerlei ideeën over, legt Van Oostendorp uit. “Het idee dat een zin bestaat uit twee aspecten, een gedachte en een sociale context waarin die moet worden uitgedrukt, is al heel oud. Die vind je bijvoorbeeld al bij Alexander von Humboldt en Gottlob Frege.”
Moderne taalwetenschappers houden zich meestal met één van die twee aspecten bezig. Zo beschouwen generativisten taal – in navolging van de generatieve grammatica van Chomsky – als iets interns in de mens. Sociolinguïsten leggen –  in navolging van Labov – de nadruk op taal als product van de sociale context. Van Oostendorp zou willen dat de taalwetenschap wat minder versplinterd was: “Het is heel onproductief om te gaan strijden over wat taal wel en niet is, zoals sommige taalwetenschappers doen. ”

Functies van taal

“Die strijd komt voort uit een debat dat in feite al honderden jaren aan de gang is: is taal nu voor denken of voor communicatie. Dat is een onzinnig debat. Alsof er één functie moet zijn. En dat is wat ik nu bedoel met dat cadeaupapier: er zitten allerlei aspecten aan. Sommige aspecten van taal moet je wel degelijk begrijpen uit hoofde van communicatie, maar dat betekent niet dat dat de enige functie is van taal. Denken is minstens even belangrijk.”
Behalve voor communicatie en denken heeft taal nog allerlei andere functies. Van Oostendorp somt er nog een paar op: je kunt taal gebruiken om te laten zien wie je bent, om mee te spelen of gewoon om ‘het kanaal open te houden’. Het grootste deel van de dag gebruiken we taal op die laatste manier volgens Van Oostendorp: “Denk maar aan een ouder echtpaar dat in de trein zit. De trein gaat rijden en de vrouw zegt: de trein gaat rijden. Ze zien een koe en de vrouw zegt: een koe. Als mensen bij elkaar zitten, praten ze met elkaar.”

Taal om te denken

Ondanks al die verschillende functies van taal blijven mensen toch vaak hangen in het idee dat taal één functie heeft, aldus van Oostendorp. In onze moderne cultuur zien de meeste mensen communicatie als de primaire functie van taal. Toch werd daar lange tijd anders over gedacht: “Van de achttiende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw werd het denken als de belangrijkste functie van taal gezien. Wij kunnen denken net als dieren, maar wij kunnen onze gedachten ook een vorm geven, namelijk in taal. En daardoor kunnen we ook over die gedachten zelf gaan nadenken. En dat kunnen dieren waarschijnlijk niet.”
Ook Chomsky ziet in het denken de belangrijkste functie van taal. Hij noemt de evolutie als argument. Iedere evolutionaire stap begint met mutatie bij een individu. Taal moet dus in eerste instantie een voordeel zijn geweest voor één individu. Daarom zou niet communicatie de eerste functie geweest zijn, maar veel eerder het denken. Van Oostendorp: “Maar ook in de discussie over evolutie geldt weer hetzelfde: mensen proberen één oorzaak te vinden voor het ontstaan van taal, terwijl er waarschijnlijk meerdere oorzaken zijn geweest.”
Wel ziet Van Oostendorp net als Chomsky taal als de belangrijkste toegangsweg tot de menselijke gedachten. “Een veel gehoorde uitspraak van nu is: wij zijn ons brein. Maar ‘wij zijn onze taal’ of ‘wij zijn onze zinnen’ komt volgens mij veel dichter in de buurt. Want die zinnen geven gedachten weer en tegelijkertijd delen we die gedachten met elkaar. ‘We zijn ons brein’ suggereert dat je helemaal opgesloten zit in je eigen schedeldak. Dat is natuurlijk helemaal niet zo.”

Taal voor kleine groepen

En dan is er nog één misverstand dat volgens de onderzoeker uit de wereld moet. Veel mensen denken dat taal bedoeld is om met grote groepen mensen te communiceren. Daar denkt Van Oostendorp anders over: “Ik zou willen beweren dat heel veel taal eigenlijk is toegesneden op kleinere groepen. In iedere zin die we zeggen zitten zoveel verborgen aannames over wat voor kennis jij en ik delen. Dat zie je nu in de sociale media soms totaal verkeerd gaan. Omdat mensen bijvoorbeeld iets twitteren dat grappig bedoeld is, maar dat veel mensen niet oppikken omdat ze niet dezelfde achtergrondinformatie hebben.”
“De meeste mensen kunnen dat ook niet, met grote groepen mensen communiceren. Dan gaat het dus helemaal mis, zoals met die uitspraken van Gordon over Chinezen. Dat zijn een soort kroeggrappen die per ongeluk in de openbaarheid terechtkomen. Iedere zin is ingebed in een bepaalde sociale context, en daar kun je niet omheen.”

Marc van Oostendorp: Heb je nou je zin! : een zoektocht naar de mooiste, langste, diepste en laatste zinnen. – Amsterdam : Prometheus-Bert Bakker, 2013. ISBN 978-90-351-3786-8.

________________________________________

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (december 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

Ter gelegenheid van de viering van 200 jaar Koninkrijk trekt de tentoonstelling NL de komende tijd door Nederland. NL laat Nederland zien in fotoverhalen. In deze reizende expositie brengt fotograaf Bert Verhoeff feesten, vergaderingen en uiteenlopende rituelen in beeld, maar ook huizen, tuinen en sloten. Naast de tentoonstellling verschijnt een vuistdik boek. Het project kwam tot stand in samenwerking met het Meertens Instituut.


In het boek en op de tentoonstelling komt een scala aan Nederlandse onderwerpen aan bod. Van Hollandse feesten, de Zuidas, rituelen, de overlegcultuur en de fiets tot open gordijnen, de heggen in Het Gooi en het verenigingsleven. Beelden in een stijl die typerend is voor Bert Verhoeff, met een feilloos gevoel voor het juiste moment, vaak anekdotisch en met veel gevoel voor humor.
In het boek NL zijn naast de foto's tekstbijdragen opgenomen van publicisten die vanuit hun vak iets toevoegen aan de beelden. Zo schreef Leendert Brouwer (beheerder van de Nederlandse FamilienamenBank) een essay over Jan de Jong, de meest voorkomende naam in Nederland. De bijdrage van de aan het Meertens Instituut verbonden etnoloog Irene Stengs gaat over 'de dwingende maar wat doodse esthetiek' van de symmetrische inrichting van vele Nederlandse vensterbanken. Welke relatie onderhouden Nederlanders met hun ramen?
De tentoonstelling NL is te bezichtigen in het Stadhuis van Den Haag tot 15 januari 2014. Daarna reist de tentoonstelling door naar Delfzijl, Maastricht, Zwolle, Assen en Amsterdam.

____________________________________________________________

Foto: Bert Verhoeff.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (december 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

Heeft de discussie over Zwarte Piet verandering teweeggebracht?
Het antwoord wordt gegeven door Theo Meder.

Ja, in ieder geval dat dit jaar, ten gevolge van de heftigheid van het debat, zo ongeveer elke Nederlander heeft gehoord van de Zwarte Piet-discussie en ook de meeste mensen zich een mening hebben gevormd. Een meerderheid van de Nederlanders beroept zich op de traditie en wil liefst niets veranderd zien. Op Facebook werd de pro-Piet ‘Pietitie’ in korte tijd door 2,2 miljoen Nederlanders geliked. Een groep gekleurde Nederlanders, niet alleen in Amsterdam, maar ook elders, ziet in Zwarte Piet racistische elementen, en deze groep begint morele steun te krijgen van onder meer politici en artiesten. Zij zien in Zwarte Piet een door blanken geschapen karikatuur van de zwarte mens, en vinden dat de ondergeschikte positie van Pieten rond een witte Sint teveel aan de periode van slavernij herinnert.

Sommige mensen die op de sociale media in eerste instantie nog grapjes maakten als ‘straks is blanke vla ook nog racisme', zag men in de loop der weken langzaam naar het andere kamp opschuiven – niet in de laatste plaats omdat de pro-Pieten campagne niet geheel vrij was van bedenkelijke reacties. Zo’n 100.000 mensen hebben de ‘Pietitie’ daarom weer ge-unliked. Tijdens een demonstratie op het Malieveld werd bijvoorbeeld een donkere vrouw door boze blanken bedreigd omdat men aannam dat ze anti-Piet was (wat niet zo was), en zangeres Anouk kreeg doodsbedreigingen en openlijk racistische reacties te verduren toen ze zich anti-Zwarte Piet toonde. Zelfs cabaretier Erik van Muiswinkel, die de hoofd-Piet op televisie speelt, is zich ervan bewust geworden dat aan Zwarte Piet wel wat mag veranderen: minder donker en minder knecht.

Oorbellen en lippenstift

De hele discussie had nog niet veel effect op de intocht van Sint Nicolaas in Groningen (voor televisie) en Amsterdam: veranderingen in folklore gaan zelden snel. Als klein teken dat men tot verandering bereid is, hadden de Zwarte Pieten in Amsterdam hun gouden oorbellen dit jaar thuisgelaten, en gebruikten ze verschillende kleuren lipstick. In Groningen waren zelfs nog iets meer concessies gedaan: Zwarte Piet had geen oorbellen in, en had helemaal geen lipstick gebruikt. Niet op de boot, maar wel tijdens de rijtocht voegden zich Spaanse edelen bij de stoet: blanke edelen met zwarte snorren in 17e-eeuwse uitdossing. Tevens reed er een brandweerwagen mee met schoorsteenvegers: collega’s van Zwarte Piet, in zwarte pakken en met roetvegen over het blanke gelaat. In Groningen leken extra veel kindpietjes te staan, maar daar zaten ook de nodige (half)blanke pietjes tussen en regenboogpietjes. In Amsterdam stonden juist minder kindpietjes en de meesten van hen waren niet geschminkt. Maar wie dezer dagen door de binnenstad van pakweg het Limburgse Roermond liep, die zag een uitbundige hoeveelheid traditionele Zwarte Pieten om zich heen: als poppen aan de gevels, in winkels, en als verklede blanken meehossend met de fanfare die Sinterklaasliederen speelde.

Toekomstige concessies

Het valt niet te ontkennen dat velen in de 'provincie' “Zwarte Piet is racisme” ervaren als een randstedelijk of Amsterdams probleem. Heel veel is er dus nog niet veranderd, maar tekenen dat men bereid is tot concessies in de toekomst zijn aanwezig. De hele Zwarte Pieten-discussie heeft mensen en de media ook nog eens gevoeliger gemaakt voor (mogelijk) racistische opmerkingen. Wat zanger Gordon en menige Nederlander een onschuldig geintje noemt (een hoogopgeleide Chinese zanger wegzetten als een restauranthouder die raar Engels praat) is voor anderen een voorbeeld van latent of alledaags racisme – het soort racisme dat een sollicitant afwijst met als verborgen motivatie: “is niks. […] een donker gekleurde (neger).”

________________________________________

Ook een vraag voor de nieuwsbrief van het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (december 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

Bij de bibliotheek van het Meertens Instituut worden door verzamelaars en wetenschappers (of hun nazaten) regelmatig boekcollecties aangeboden. Soms kom je in die boeken de raarste objecten tegen. Oude foto’s en brieven, een potlood, blaadjes met onleesbare aantekeningen, gedroogde bloemblaadjes en boekenleggers zijn misschien niet zo opzienbarend, maar een verdroogd biscuitje of een bankbiljet tref je niet iedere dag aan tussen de bladzijden van een boek.
De meest recente aanwinst binnen deze categorie is wel heel bijzonder: tussen de bladzijden van een boek uit de 20e eeuw zat zomaar een snippertje van een eeuwenoud handgeschreven boek.

We hebben het fragment voorgelegd aan Ed van der Vlist, conservator middeleeuwse handschriften bij de Koninklijke Bibliotheek, en volgens hem is dit stukje perkament in gebruik geweest als versteviging van een latere boekband. Het oorspronkelijke boek is dus om welke reden dan ook vernietigd, en later als vulling hergebruikt. Van der Vlist: “Het perkament is een restant van een vijftiende-eeuws handschrift. Dat kun je zien aan het schrift: een littera hybrida, zoals die vanaf het tweede kwart van de vijftiende eeuw geschreven ging worden, en die zich ontwikkelde tot het standaardschrift in onze streken.”
Van der Vlist herkent in het fragment parafrasen naar bijbelteksten uit de boeken Jesaja en Jeremia alsmede Paulus’ brief aan de Galaten. Waarschijnlijk gaat het om teksten die werden gelezen tijdens het koorgebed. Teksten die  verenigd waren in een brevier (gebedenboek), ergens aan het einde van de 15e of het begin van de 16e eeuw.

Voor het Meertens Instituut is deze vondst uniek. Het is verreweg het oudste stuk(je) in de collectie. Veel financiële waarde zal het stukje perkament overigens niet hebben. Er zijn bibliotheken die een ruime collectie oude banden bezitten waaruit bij restauraties allerlei fragmenten tevoorschijn zijn gekomen. Die komen dan vaak terecht in een schoenendoos die vervolgens wordt vergeten. Jammer, vindt Van der Vlist, want we moeten niet vergeten “dat iedere snipper toch een overblijfsel is van een object waaraan ooit veel werk en zorg is besteed; ‘membra disjecta’ zijn onze aandacht waard.”

____________________________________________________________

Foto en tekst door Diedrik van der Wal, met dank aan Petra Luijkx en Ed van der Vlist.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (december 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

 

Het maatschappelijke debat over Zwarte Piet is dit jaar heviger dan ooit. Een Facebook-actie om pieterbaas te behouden, leverde in korte tijd twee miljoen sympathisanten op. Met de aanstaande intocht van Sinterklaas is het strijdgewoel weer even tot rust gekomen.

Tijd voor de Amsterdamse Academische Club om in de kamer van reflectie de balans op te maken met de vraag: wat is de toekomst van Zwarte Piet? 
Op 28 november bespreekt een panel deskundigen de toekomst van Zwarte Piet onder de deskundige leiding van AAC-bestuurslid Christiaan Alberdingk Thijm.

Panel:
– Henk Leegte, voorzitter stichting Sinterklaasintocht Amsterdam en predikant Doopsgezinde Gemeente
– Dehlia Timman (D66), politiek adviseur van Boudewijn Oranje
– Peter Jan Margry, hoogleraar Europese etnologie aan de Faculteit der Geesteswetenschappen (UvA) en senior onderzoeker religieuze cultuur bij het Meertens Instituut.

Aanmelden

Language and Space: Dutch is een 950 pagina’s tellend boek met state of the art-overzichten van oudere en nieuwere benaderingen van het onderzoek van traditionele en nieuwe dialecten en dochtertalen van het Nederlands, binnen en buiten het taalgebied. Aan het boek, geredigeerd door Frans Hinskens en Johan Taeldeman, werkten ruim 40 auteurs mee uit binnen- en buitenland.

Language and Space: Dutch is de eerste titel in een internationale reeks handboeken over geografische taalvariatie, waarin ingezoomd wordt op één taalgebied. Het Nederlandse taalgebied is groter dan alleen Nederland en Vlaanderen: het omvat alle plekken ter wereld waar een (meng)vorm van Nederlands gesproken wordt. Dat betekent dat er in dit boek zowel aandacht is voor Vlaamse en Nederlandse dialecten, regiolecten en varianten van de standaardtaal, als voor Nederlandse taalvariëteiten in bijvoorbeeld voormalig Nederlands-Indië, Suriname en Zuid-Afrika. Surinamers en Indische Nederlanders namen hun talen overigens ook weer mee naar Nederland. In dat geval spreken we van etnolecten, die ook door andere bevolkingsgroepen in Nederland en Vlaanderen gesproken worden.

Taalvariëteiten

Een ander deel van het boek gaat over inheemse Nederlandse en Vlaamse taalvariëteiten, die verdeeld zijn in zes regio’s, grofweg: West-Vlaanderen en Zeeland, Oost-Vlaanderen, Brabant, Limburg, Holland en Utrecht en het Nedersaksische taalgebied. Voor elk van deze regio’s wordt een beschrijving van telkens ongeveer 50 pagina’s gegeven van de traditionele dialecten en van de ontwikkeling van jongere taalvariëteiten op het continuüm van dialect naar regiolect. De Nederlandse en Vlaamse gebarentaal worden in een apart hoofdstuk besproken. Het Friese taalgebied is te complex om in 50 bladzijden beschreven te worden, en zal mogelijk een eigen deel in de reeks krijgen. Wel komen de Hollands-Friese en de Nedersaksisch-Friese mengdialecten aan bod, dus respectievelijk het 'Stedsk' oftewel Stadsfries en de Stellingwerfse dialecten.

Naast een taalkundige beschrijving van de taalvariëteiten per regio worden ook sociale factoren (zoals geslacht, etniciteit, religie, leeftijd) besproken die invloed hebben op het ontstaan ervan. In het boek komen al met al verschillende benaderingen samen: taalvariatie wordt beschouwd vanuit de dialectologie, de sociolinguïstiek, de formeel-theoretische taalkunde en de taalcontacttheorie.

HSK-serie

De bundel maakt deel uit van de reeks handboeken over het thema taal en ruimte, die uitgebracht wordt in de prestigieuze HSK-serie (Handbooks of Linguistics and Communication Science) van De Gruyter Mouton (Berlijn). Aan de door Frans Hinskens (Meertens Instituut, KNAW) en Johan Taeldeman (em. Universiteit Gent) geredigeerde bundel, die 47 hoofdstukken bevat, hebben auteurs uit Nederland, België, Duitsland, Engeland, Zuid-Afrika, Australië, de VS en Jamaica meegewerkt. Het boek verschijnt medio november 2013.

Lees ook het interview met Frans Hinskens in de Meertens Nieuwsbrief (november 2013)

door Nicoline van der Sijs

Op donderdag 31 oktober besteedden alle media aandacht aan het feit dat spijbelen het laatste jaar enorm bleek te zijn toegenomen. Maar nieuw is het verschijnsel spijbelen niet. Dat kunnen we afleiden uit het feit dat de dialecten vroeger een zeer groot aantal verschillende benamingen voor ‘spijbelen’ kenden. Op de prachtige kaart hieronder, afkomstig uit de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland, kan men de varianten aflezen (klik op de kaart voor een groter beeld).


De kaart is gepubliceerd in 1958, en de gegevens zijn in 1953 verzameld. Op de kaart staan maar liefst 84 verschillende symbolen. Aan elkaar verwante vormen hebben dezelfde kleur en een op elkaar lijkend symbool. De eerstgenoemde vorm is spijbelen, het woord dat tegenwoordig de normale vorm is. Uit de kaart blijkt dat spijbelen in de dialecten van de jaren ’50 van de vorige eeuw bijna alleen voorkwam in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. In het zuiden, in Vlaanderen en Limburg, waren allerlei varianten te vinden met haag, zoals achter de haag gaan/lopen/blijven/zitten, of haagschool (doen). In Groningen gebruikte men vooral de varianten (de school) (ver)plenken, terwijl in Friesland de Friese variant voor schooltje schuilen werd gebezigd.
Het is interessant om te zien dat veel varianten beperkt zijn tot een bepaalde regio: ik vermoed dat dit komt doordat in het verleden kinderen vanuit het platteland naar een bepaalde school trokken, waar ze elkaar ontmoeten: scholen hadden een relatief omvangrijk achterland waar dezelfde term voor ‘spijbelen’ werd gebruikt.

Het is verbazingwekkend dat er in het midden van de 20e eeuw zoveel termen bestaan voor ‘spijbelen’. Er bestond immers leerplicht: in Nederland sinds 1900, in België sinds 1914. Kinderen mochten dus niet spijbelen en uit mijn eigen schooltijd – die weliswaar na de jaren ’50 lag – herinner ik mij dat spijbelen in de praktijk onmogelijk was, doordat alle lessen in vaste (parallel)groepen werden gegeven, zodat ongemerkt uit de klas verdwijnen niet lukte.
Al in de 19e eeuw had het grote aantal verschillende benamingen voor ‘spijbelen’ de aandacht gewekt van taalkundigen. In 1848 schreef Arie de Jager in Archief voor Nederlandsche Taalkunde een prachtig artikel van achttien pagina’s getiteld ‘Over de verschillende benamingen van het heimelijk schoolverzuim der leerlingen’. De Jager (1806-1877) was onderwijzer in Rotterdam. Hij publiceerde diverse boeken over de Nederlandse taal, waaronder een tweedelig woordenboek over zogenoemde frequentatieven: werkwoorden van herhaling zoals trappelen, klapperen, suizelen. Misschien had spijbelen vanwege de uitgang -elen aanvankelijk zijn aandacht getrokken. Waarschijnlijk echter is spijbelen geen werkwoord van herhaling, al weten we dat niet zeker. Volgens de etymologiebank is de herkomst van spijbelen onbekend. Spijbelen is voor het eerst aangetroffen in de vorm spiebelen ‘weggaan, ervandoor gaan’. De huidige vorm en betekenis zijn in 1762 gevonden. Het woord zal verband houden met spybeler ‘bedelaar, landloper’, dat in 1477 is opgetekend, maar waar dat vandaan komt, weten we niet.
De meer dan 60 woorden die de Jager halverwege de 19e eeuw had verzameld, had hij te danken aan collega-onderwijzers, die hadden gereageerd op een oproep om informatie die hij had gepubliceerd in onderwijsbladen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoeveel varianten er momenteel nog bestaan voor ‘spijbelen’. Over het algemeen wordt gedacht dat er niet veel equivalenten meer bestaan, maar zeker weten doen we dat niet. Daarom roep ik de lezers van deze nieuwsbrief op de onderstaande link aan te klikken en in te vullen of ze voor ‘school verzuimen’ andere woorden dan spijbelen kennen of gebruiken. Als er voldoende antwoorden binnenkomen en de resultaten interessant zijn, kom ik er wellicht in een volgende nieuwsbrief op terug.

Welke benamingen voor 'spijbelen' kent u?

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief (november 2013) van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier.