skip to main content

Bescherming gebruikersgegevens

Name of the service Meertens Collections
Controller of the personal data file and a contact person

Meertens Instituut
PO Box 10855
1001 EW Amsterdam
NETHERLANDS

 

Contact: Martine de Bruin, Martine.de.Bruin@meertens.knaw.nl

Purpose of the processing of personal data

Meertens Collections provides services to deposit, view and process digital material made available by the Meertens Instituut.

 

Personal data is processed for managing the users’ access rights to the materials in Meertens Collections. Log files are used for ensuring the integrity and availability of the service and for producing statistics of the service use.

Personal data processed

Following data is retrieved from your Home Organisation provided that your Home Organisation is wiling to release it: :

  • your unique user identifier (ePPN) or a unique identifier that your Home Organisation issues
  • your Full Name (CN)
  • your affiliation
  • your email address

If your organisation does not provide some of these user attributes, you might be requested to provide them yourself in order to use certain services.

Following data may be gathered from yourself:

  • Name
  • your affiliation
  • your email address
Third parties to whom personal data is disclosed Personal data is not disclosed to 3rd parties.
How to access, rectify and delete the personal data Contact the contact person above.
To rectify the data released by your Home Organisation, contact your Home Organisation's IT helpdesk.
Data retention Your personal data is deleted upon request or after five years of inactivity as a user of the Meertens Collections services.
Data Protection Code of Conduct Your personal data will be protected according to the Code of Conduct for Service Providers, a common standard for the research and higher education sector to protect your privacy.

 

Ik heb een foto uit 1948 met een ontbijtkoek op m'n arm, ik denk dat je dat kreeg als je jarig was. Kunt u mij daar iets meer over vertellen? T.J.C. van Veen-van den Berg.

Het antwoord wordt gegeven door Marianne van Zuijlen.

Het gebruik om een klein kind dat jarig is een stuk koek op de arm te binden is, gezien de vermeldingen in de documentatie van het Meertens Instituut, in het begin van de twintigste eeuw in vrijwel heel Nederland bekend geweest. Hoe algemeen het “binden” of “(be)strikken” is geweest is niet onderzocht, evenmin als de herkomst.

 

Het geboortebinden

In zijn werk Uit Friesland's volksleven van vroeger en later (1892) vermeldt Waling Dykstra in het lemma Het geboortebinden dat het (vast)binden op de geboortedag alleen nog maar voorkomt bij kinderen, en niet meer zo gangbaar is. Niet alleen koek, maar ook een doek of iets anders om mee te pronken, werd op de arm gebonden. Vroeger werden ook volwassenen vastgebonden op hun verjaardag. Het geschenk werd vastgemaakt aan een touw, en de jarige werd met dat touw zó op een stoel vastgebonden, dat men alleen met hulp én een traktatie los kon komen.

Een nog eerdere vermelding van vastbinden van kinderen op hun verjaardag komt voor in de optekeningen (Handschrift 225 uit 1869) van de Friese predikant-schrijver Joost Hiddes Halbertsma. Hij meldt dat kinderen worden vastgebonden, en dat ze ook een geschenk met een rood lintje om de arm krijgen gebonden.
 

Soort koek

Een in 1889 in een koopmansgezin in Amsterdam-Zuid geboren meisje vertelt dat de kinderen in het gezin op verjaardagen dubbeltjeskoek met twee rode linten om de arm krijgen gestrikt. Eén van de herinneringen van een vrouw aan haar jeugd – in een arm gezin – rond 1928 in de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam is, dat ze op haar eerste verjaardag op de bewaarschool een koek, een soort ontbijtkoek, met rood lint op haar arm krijgt gebonden. Die koek blijft de hele dag op de arm gebonden, zodat iedereen kan zien dat ze jarig is.

Wat voor soort koek er om de arm werd gebonden is meestal niet duidelijk. Uitzonderingen zijn de herinneringen van twee geboren Enschedeërs, die zich beiden herinneren dat ze als kleine jongen rond 1910, een “krekkel”, een krakeling, met een lint op de linkerarm krijgen gebonden. De krakeling wordt beschouwd als een typisch Enschedese specialiteit. Eén man herinnert zich dat de krakeling zo hoog op zijn arm werd gebonden dat hij er met mond en rechterarm net niet bij kon komen. Zo bleef de hele dag duidelijk dat hij jarig was! In de Betuwe wordt een kind dat nog niet naar school gaat, op de verjaardag “gebonden”. Het krijgt een lint of koord om de rechterarm gebonden, met daartussen evenveel krakelingen of kransjes als het kind oud is. Een zegsman uit Deventer spreekt heel specifiek van Deventer (Elle) koek.

Foto onder: De rechthoekige krekkel of krakeling. Fotocollectie Nederlands Bakkerijmuseum.

Klik hier voor een pdf van het lemma Het Geboortebinden,  Uit Friesland's volksleven van vroeger en later (p. 223).

________________________________________

Ook een vraag voor de nieuwsbrief van het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (september 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

 

“Neerlandistiek,” schrijft de Dikke van Dale, is “de wetenschap die zich bezighoudt met de Nederlandse taal en literatuur.” Die definitie werd blijkbaar te beperkt bevonden door de schrijvers van Wikipedia, die in hun eigen omschrijving ook de gehele Nederlandse cultuur erbij betrekken. De nieuwe bundel Neerlandistiek in beeld stelt het beeld wat scherper. In de eerste zin van het voorwoord wordt al duidelijk gesteld dat neerlandistiek geen wetenschappelijke discipline genoemd kan worden, maar dat het de benaming is van het gezamenlijke werkterrein van letterkundigen, taalkundigen en taalbeheersers. Die vakgebieden zijn in de loop van de tijd uit elkaar gegroeid en verdeeld in een groot aantal specialismen, maar die blijven altijd verbonden door de gezamenlijke interesse in taal en taalgebruik.

Jan Noordegraaf

Neerlandistiek in beeld is door redacteurs Theo Janssen en Ton van Strien samengesteld als blijk van waardering voor Jan Noordegraaf, tot voor kort universitair hoofddocent op het terrein van de taalwetenschap (in het bijzonder de geschiedenis van de taalkunde) aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het boek laat ruim veertig auteurs aan het woord die in kort bestek de geschiedenis van hun eigen specialisme belichten. Daarbij is er vanzelfsprekend aandacht voor literatuurhistorische onderwerpen als Middelnederlandse allegorische literatuur, moderne poëzie en literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs; maar de meeste auteurs bespreken taalkundige thema’s als zinsleer, klankleer, etymologie, dialectgeografie en het leren van de Nederlandse taal.

Door de bondigheid en de verscheidenheid biedt Neerlandistiek in beeld een rijk en overzichtelijk beeld van een kwart millennium neerlandistiek.

Uitgave Stichting Neerlandistiek VU, ISBN 978-90-8880-029-0
____________________________________________________________

Tekst door Diedrik van der Wal.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (september 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

Hoe staat het met de populariteit van de voornamen van leden van ons koningshuis?

Gerrit Bloothooft geeft antwoord.

Rond de troonswisseling lijkt het koninklijk huis geliefder lijkt dan ooit. Toch blijkt er van identificatie met het koningshuis via naamgeving al decennialang geen sprake te zijn. Toen prinses Beatrix geboren werd leidde dat nog tot een heuse hype, vergelijkbaar met die rond mediasterren tegenwoordig. Voor haar geboorte kregen zo’n 15 kinderen per jaar de naam Beatrix, maar in 1938 waren dat er opeens 207. Daarna zette onmiddellijk een daling in, zoals de afbeelding hieronder laat zien.

Protestfunctie

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kregen de namen van het koninklijk huis echter een bijzondere betekenis: ze werden gebruikt als protest tegen de Duitse bezetter. Door de vrij bijzondere namen van de prinsesjes is vernoeming makkelijk te traceren. In 1941 werden 299 kinderen Beatrix genoemd en zelfs 527 kinderen Irene (Gri. ‘vrede’). Nog duidelijker was de referentie in naamcombinaties zoals Beatrix Irene Margriet (21 maal), Wilhelmina Juliana Beatrix Irene (44 maal), of door de volledige naam van prins Bernhard (11 maal). De bezetter kon het niet waarderen, en deze combinaties komen in 1943 en 1944 bijna niet meer voor.

De bevrijding leverde in 1945 nog wel weer een opleving van de koninklijke voornamen op. Daarna gedroegen de namen zich als gewone modenamen, waarbij de belangstelling voor Beatrix al snel wegebde. Tegenwoordig krijgt gemiddeld maar een enkel kind per jaar de naam nog. En dat geldt ook voor Trix. Dat is veel minder dan het aantal als traditionele naam voor 1938. De roepnaam Marijke (voor Maria Christina) ging al gewoon mee met de mode van de tijd die rond haar geboorte in 1947 net een eerste piek toont. De namen Margriet en Irene (en Bea) bereikten in het midden van de jaren zestig hun hoogtepunt. Een zeldzame negatieve gevoeligheid van een voornaam is zichtbaar in de naam Irene: die beleeft een flinke tijdelijke dip na het huwelijk van prinses Irene met Hugo de Bourbon Parma in 1964.

De geboorte van de kinderen van prinses Beatrix gaf hooguit enkele tientallen ouders inspiratie, en dat geldt ook voor al haar kleinkinderen. En hoe populair koningin Máxima ook mag zijn, er lopen bijna geen kinderen met die naam in Nederland rond. Ouders willen hun kinderen blijkbaar niet duidelijk associëren met het koninklijk huis.

 

Koppelteken

Naamkundig was het koppelteken in Willem-Alexander in 1967 nog een uiting van veranderende tijden en een voorbode van de tolerante naamwet in 1970. Tot die tijd werd het koppelteken in een voornaam vrijwel niet geaccepteerd, maar na de koninklijke keuze in 1967 overduidelijk wel. Ook bijzonder is dat ambtenaren van de Burgerlijke Stand geen raad weten met de namen van het koninklijk huis. Kijk er de voornamenbank en de familienamenbank maar eens op na, waarvan de gegevens afkomstig zijn uit de Gemeentelijke Basisadministratie. De voornaam van kroonprinses Catharina-Amalia moet gezocht worden in de familienamenbank, en staat er als Hare Koninklijke Hoogheid Catharina-Amalia Beatrix Carmen Victoria Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau. Compleet met aanspreektitel Hare Koninklijke Hoogheid (welke geen deel uitmaakt van de naam) terwijl in Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau de familienaam van Oranje-Nassau is en de titels daar niet horen.

 

Bronnen

De Nederlandse Familienamenbank (NFB) is een vraagbaak voor iedereen die geïnteresseerd is in de oorsprong, betekenis en verspreiding van familienamen.

De Nederlandse Voornamenbank bevat 500.000 voornamen, waarvan de populariteit vanaf 1880 en de verspreiding over Nederland wordt getoond.

_________________________________________________________

Ook een vraag voor de nieuwsbrief van het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (mei 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

Hoe moet na de de troonswisseling op 30 april ‘Oranje boven’ worden gezongen? Immers, ‘Leve de koningin’ kan dan niet meer.


Het antwoord wordt gegeven door Martine de Bruin

Inderdaad zal er na 30 april 2013 wat moeten veranderen aan meerdere Oranjeliederen om ze toepasbaar te houden. ‘Oranje Boven’ is waarschijnlijk het bekendste van deze liederen en op diverse internetfora zijn dan ook al de nodige oplossingen gesuggereerd. ‘Leve Willem IV’ leek eerst de meest geschikte kandidaat om ‘Leve de koningin’ te vervangen, maar vervalt nu duidelijk is dat de nieuwe koning Willem-Alexander blijft heten. “Leve de monarchie” is het meest generieke alternatief, maar misschien niet de meest aansprekende tekst. Andere oplossingen pakken vaak metrumtechnisch niet helemaal lekker uit, zoals ‘Leve de koning’ dat als ‘Leve de ko-ho-ning’ gezongen zal moeten worden. Ook vinden we her en der grappige versies, die door de echte Oranjeklant niet geapprecieerd zullen worden: ‘Leve Koning Pils’ (‘Bier’) of ‘Leve de Republiek’.

Wilhelmus

Het is in ieder geval niet zo gemakkelijk om antwoord te geven op de vraag wat er vanaf 30 april 2013 gezongen zal worden. De geschiedenis leert dat zich dat in de praktijk pas uitwijst en dat daarna eventueel regulering wordt toegepast. Een goed voorbeeld hiervan is het ‘Wilhelmus van Nassouwen’, dat in de 16e eeuw werd geschreven voor Stadhouder Willem van Oranje. Het werd zijn lijflied en herkenningsmelodie. Na zijn dood werd er een nieuwe tekst op de melodie geschreven voor zijn opvolger Maurits (‘Mauricius van Nassouwen’) en ook latere stadhouders kregen een of meerdere eigen versies. Ook werden er spotliederen en andere genres op deze melodie gemaakt. Met als gevolg dat er in de negentiende eeuw vooral nog onzinteksten werden gezongen op de (inmiddels ingrijpend gewijzigde) melodie. Pas in 1932 koos men voor één versie van tekst en melodie en werd het Wilhelmus het officiële volkslied. Op deze manier zal het anno 2013 natuurlijk niet meer gaan, maar ook nu is moeilijk af te dwingen wat er spontaan wordt gezongen.

Koningslied

Mogelijk, maar niet bijzonder waarschijnlijk, is dat de oude krakers zullen worden vervangen door nieuwe liederen. Zoals het Koningslied dat speciaal voor de gelegenheid wordt geschreven. Iedereen kan een tekstje insturen via de website http://www.hetofficielekoningslied.nl. Acda en De Munnik, Guus Meeuwis en Daphne Deckers zullen op basis hiervan een liedtekst schrijven op muziek van John Ewbank. Of dit lied na 30 april nog vaak te horen zal zijn, is onduidelijk. Wel weten we dat het zeer moeilijk is om een lied zo populair te maken als de bestaande publiekslievelingen als ‘Oranje boven’ en ‘Wij houden van Oranje’.

_________________________________________________________

Ook een vraag voor de nieuwsbrief van het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (april 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

Hoe honkvast zijn de Waddenbewoners?

Mathilde Jansen geeft antwoord.

In 2010 promoveerde ik op een onderzoek naar het Amelander dialect. Het aantal dialectsprekers is daar nog opvallend hoog, ook onder de jongste generatie inwoners. En dat terwijl er op de andere Waddeneilanden nog maar weinig dialect gesproken wordt. Eén van mijn verklaringen was dat Amelanders in vergelijking met andere eilandbewoners tamelijk honkvast zijn. Klopt dat? We namen een kijkje in de nieuwe databank over Migratie in Nederland.

Als je kijkt naar de mensen die rond 1880 op Ameland zijn geboren, woont nog 51 procent van hun kinderen op het eiland, en dat neemt af tot 19 procent van de achterkleinkinderen. De kaart hiernaast toont hoe de achterkleinkinderen van Amelanders geboren in 1880 zich verspreid hebben over het land.

Op Terschelling lopen de percentages terug van 47 procent van de kinderen tot 11 procent van de achterkleinkinderen. Op Schiermonnikoog woont nog maar 32 procent van de kinderen en 4 procent van de achterkleinkinderen. Op Vlieland is het 16 procent van de kinderen en 3 procent van de achterkleinkinderen. Op Texel woont nog 66 procent van de kinderen en 26 procent van de achterkleinkinderen.

Het dialectverlies op Schiermonnikoog en Vlieland is met deze cijfers goed te verklaren. Terug naar Ameland. Het percentage thuisblijvers op Ameland is relatief hoog, maar op Texel nog hoger. Waarom wordt daar dan minder dialect gesproken? Daar zijn uiteraard weer andere verklaringen voor te geven. Uit mijn onderzoek blijkt dat ook factoren als attitude (hoe kijkt men aan tegen zijn of haar dialect?), identiteit (voelt men zich meer verbonden met het eiland dan met de rest van de regio/provincie?) en taalgebruik (met wie en hoe vaak spreekt men dialect?) invloed hebben op de mate van dialectbehoud. /Mathilde Jansen

Literatuur

• Jansen, M.M. (2010) Een echte Amelander spreekt dialect. Verslag van een veldwerker. Amsterdam : AUP, 2010. http://www.kennislink.nl/publicaties/een-echte-amelander-spreekt-dialect. Full text
• Jansen, M.M. (2010) Language Change on the Dutch Frisian Island of Ameland. Linguistic and sociolinguistic findings. Utrecht : Landelijke Onderzoekschool Taalwetenschap, 2010. http://www.lotpublications.nl/
• Jansen, M.M. & M. van Oostendorp. (2004) Taal van de Wadden. Den Haag : SDU, 2004. http://www.taalinstadenland.nl. Full text
________________________________________

Ook een vraag voor de nieuwsbrief van het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (maart 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

Mijn opa zou heel graag wat meer te weten komen over de rituelen rondom planten. Helaas kan ik nergens de juiste informatie krijgen. Mijn opa wil graag weten wat de functie van een maandheilige is en wat de legende is van Engels gras. Zou u mij verder kunnen helpen? Mevr. J. Wessels.

Het antwoord wordt gegeven door gastonderzoeker variatielinguïstiek Har Brok.

Mariamaand

We doen ons best, maar maandheiligen bestaan niet in ons land. Daar is één uitzondering op: de heilige maagd Maria. Er zijn maar liefst twee maanden die haar naam dragen. De Mariamaand is volgens De Dikke Van Dale zowel de meimaand als de oktobermaand, die ook wel rozenkransmaand genoemd wordt. De maand mei is sinds de middeleeuwen aan Maria gewijd en in de maand oktober wordt bij het Marialof voor haar dagelijks de rozenkrans gebeden.

Kroon van rozen

Het bidden van 150 Weesgegroetjes (de kleine kralen) is in feite een vereenvoudiging voor het gewone kerkvolk dat de 150 psalmen niet uit het hoofd kon opzeggen, iets wat de kloosterbroeders wel konden. De rozenkrans dankt haar naam, volgens de katholieke overlevering, aan een openbaring van Maria zelf: iedere keer dat een Weesgegroet wordt gebeden, schenkt men haar een mooie roos. Elke complete rozenkrans is, zo heet het, voor haar een kroon van rozen.

Naamdagen

De heiligen hebben wel hun naamdagen. Wikipedia geeft onder Heiligenkalender een lijst van vele honderden heiligen en hun feestdagen. Dat zijn er veel meer dan er dagen in het jaar zijn, dus op veel dagen worden er meerdere heiligen vereerd.

Ook in de namen van planten zijn veel heiligen verwerkt. Dat heeft verschillende oorzaken, maar meestal komt dat doordat planten bloeien of vruchten dragen in de tijd dat hun naamdag gevierd wordt.

Zoals op het kaartje hiernaast te zien is, komen de namen met heiligen vooral voor in het zuiden, waar vroeger de meeste katholieken woonden. Het is maar een schetsmatig kaartje, waarop alleen de namen met sint- aangegeven zijn. In feite komen er nog veel plantennamen met heiligen voor, maar dan zonder het voorvoegsel sint-, zoals Jakobsbloem naast sint-Jakobsbloem. Andere veel voorkomende heiligen zijn sint-Jan (Hemelsleutel, Bosbes), sint-Catharina (Herfstaster), sint-Cornelis (Pioen), sint-Joris (Sering), sint-Jozef (Clivia) en sint-Pieter (Margriet).

Engels gras

Over de legende van Engels gras is ons niets bekend. Ook in de volksnamen voor deze plant is daarover niets terug te vinden. Op Texel komen de namen gouden-spelden en hoedenspelden voor, maar dat komt doordat de dunne grassprieten met hun ronde pluisjes lijken op de oude sierspelden op dameshoeden, die dienden om het afwaaien van de hoed tegen te gaan.

In Limburg en het aangrenzende Noord-Brabant komt ook nog de naam pastoorsgras voor, maar een verklaring daarvoor is ons niet bekend. Zie ook de verspreidingskaart van de benamingen voor Engels gras uit de PLAND. De databank Plantennamen in de Nederlandse Dialecten (PLAND) van het Meertens Instituut omvat de volksnamen van planten in het Nederlandse taalgebied.

 

Afbeeldingen

Afbeelding rozenkrans door N. Gibbs, Flickr.com
Afbeelding Engels gras door J. van der Velden, Flickr.com

_______________________________________________________________

Ook een vraag voor de nieuwsbrief van het Meertens Instituut? Mail de redactie.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (februari 2013). Ook abonnee worden? Klik hier

Vogelverschrikkers zijn ervoor bedoeld om vraatzuchtige vogels te verjagen van akkers en velden. Maar toen de beeldend kunstenares Alma Brevé in 1984 op het eiland Tiengemeten een aantal vogelverschrikkers fotografeerde, merkte ze dat deze functionele objecten een onbedoelde schoonheid bezitten. Zo ontstond een fascinatie voor de vogelverschrikker, die leidde tot een uitgebreide verzameling. Hierin was ook plaats voor deelaspecten zoals de verbeelding in de kunsten, de geschiedenis, de mythologie en de regionale en internationale manifestaties van de vogelverschrikker.

In 2000 stond de collectie van Brevé centraal tijdens een interdisciplinaire vogelverschrikkertentoonstelling in museum De Beyerd in Breda. Samen met H.J.A. Hofland stelde ze de begeleidende publicatie Held op stokken samen.

Alma Brevé heeft onlangs haar vogelverschrikkercollectie geschonken aan het Meertens Instituut. De verzameling sluit aan bij eerder onderzoek aan het instituut naar de regionale verscheidenheid van de vogelverschrikker.

Foto: M. de Groot, 2000

_________________________________________________________

Tekst door Diedrik van der Wal.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (juni 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

De bibliotheek van het Meertens Instituut is doorgaans een vrij serieuze afdeling, maar in de afgelopen weken was er regelmatig een bulderend gelach vanuit de werkkamers te horen. Wat was er aan de hand? Lees maar:

Jan: “Hoe gaat het in je nieuwe werk, Henk?”
Henk: “O. prima. Er werken al 150 man onder me.”
Jan: “Zo.”
Henk: “Ja, ik werk op de eerste verdieping.”

(uit: 500 moppen voor de jeugd door Jan Willem van Besouw, 1979)

En zo door. De ene mop na de andere kon worden gedebiteerd dankzij een schenking van ruim 60 moppenboeken aan de bibliotheek. De werken zijn afkomstig uit de onderzoeksbibliotheek van moppenprofessor Giselinde Kuipers. Zij gebruikte ze voor haar proefschrift Goede humor, slechte zaak, waarmee ze in 2001 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Op dit moment is ze Hoogleraar cultuursociologie aan diezelfde universiteit. In haar proefschrift onderzocht ze de sociologie van de mop: wat is de relatie tussen het waarderen van moppen en factoren als klasse, leeftijd en geslacht? Ze beschreef onder meer dat het gevoel voor humor van mensen uit verschillende sociale klassen zeer uiteen kan lopen; het verschil tussen zeg maar Freek de Jonge en André van Duin.
Moppenboekjes behoren in veel gevallen tot het genre van de goedkopere boekjes op inferieur papier, die na enige tijd bij het oud papier belanden. Vaak komen deze werkjes niet in bibliotheekcollecties terecht. Daardoor betreft het hier een vrij unieke collectie, die tevens goed aansluit bij onderzoek op het Meertens Instituut naar volksverhalen, waaronder moppen.

Alle grappen en grollen zijn na afspraak te raadplegen in de leeszaal van de bibliotheek. Kunt u niet wachten, surf dan naar de Nederlandse Volksverhalenbank, waar meer dan 10.000 moppen online te lezen zijn.

_________________________________________________________

Foto en tekst door Diedrik van der Wal.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (mei 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

In januari 1970 nam de heer A.J.A.M. Weehuizen afscheid van het bedrijf waar hij net zijn 40-jarige jubileum had gevierd: de Geïllustreerde Pers (nu VNU Tijdschriften). Zijn journalistieke loopbaan was in 1930 begonnen bij het kleine weekblad ‘Het Huisgezin’, dat hij samen met een redacteur vulde. In 1939 kreeg hij de verantwoordelijkheid voor het damesblad ‘Margriet’. Onder zijn leiding groeide dit weekblad uit tot een oplage van ruim 821.000 exemplaren in 1965. Het was op dat moment het grootste vrouwentijdschrift van Nederland. Naast het hoofdredacteurschap van de Margriet was Weehuizen betrokken bij de tijdschriften Revue/Nieuwe Revu, Avenue, Donald Duck en Pep. Tevens was hij adjunct-directeur van de Geïllustreerde Pers.

In een interview uit de Telegraaf (naar aanleiding van zijn robijnen jubileum) vertelde Weehuizen dat zijn schrijfactiviteiten in de loop van de jaren steeds waren verminderd. Met één uitzondering: de bijdragen voor Margriet “over het ene specialistische onderwerp dat zijn grote liefde heeft: de naamkunde, en vooral de voornaamkunde.” Een anonieme rubriek overigens, want het vermelden van zijn eigen naam vond Weehuizen niet nodig. Na zijn pensioen wilde hij de naamkunde nog intensiever bestuderen, meldde het artikel in de Telegraaf. Door een ziekte kwam dit er niet meer van. Anton Weehuizen overleed in november 1970.

Zijn collectie op het gebied van de naamkunde is dankzij zijn zoon Boudewijn Weehuizen nu opgenomen in de collectie van het Meertens Instituut. Het bestaat uit zo’n 10.000 getypte systeemkaarten met informatie over voornamen, hun herkomst en gebruik. De collectie Weehuizen sluit prima aan bij andere naamkundige collecties die zich in het archief van het Meertens Instituut bevinden.
_____________________________________________________________

Foto en tekst door Diedrik van der Wal.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (april 2013) van het Meertens Instituut. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.