skip to main content

Brieven aan de Toekomst

In 1998 werden Nederlanders door middel van de landelijke campagne Brieven aan de Toekomst opgeroepen een dag uit hun leven te beschrijven. Deze dag was: 15 mei 1998. Het initiatief hiertoe werd genomen door drie grote instellingen die zich met Nederlandse cultuur bezighouden: het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (Utrecht), het Nederlands Openluchtmuseum (Arnhem) en het Meertens Instituut (Amsterdam). Doel van dit brievenproject was de opbouw van een groot nationaal archief van dagbeschrijvingen van zoveel mogelijk verschillende Nederlanders. Wetenschappers van de toekomst kunnen dit archief later raadplegen om inzicht te krijgen in het dagelijks leven van mensen aan het eind van dit millenium.

Naar aanleiding van deze campagne zijn 39.571 brieven binnengekomen. De verzameling is op het Meertens Instituut gearchiveerd en opgeborgen in zuurvrije enveloppen en dozen. Het instituut beheert en bewaart daarmee een unieke collectie egodocumenten. Toekomstige onderzoekers die onderzoek willen doen naar eetgewoonten, kleedgedrag, feesten, rituelen, lief en leed, relaties (familie, vrienden, collega's), religie, sexualiteit of ouderdom, zoals dat beleefd werd aan het eind van dit millennium, vinden op het Meertens Instituut een prachtig archief met contemporain en persoonlijk bronnenmateriaal over deze periode. 

Het idee om zo'n archief aan te leggen is niet geheel nieuw. In Scandinavië hebben enkel jaren geleden soortgelijke projecten plaatsgehad. In 1991 werden de Zweden opgeroepen een dagbeschrijving te maken van 14 mei. Dit leverde ongeveer 10.000 brieven op. Een jaar later stroomden in Denemarken naar aanleiding van een soortgelijke oproep 55.000 brieven binnen. Nog steeds is men bezig met de documentatie van alle brieven. Met dit als voorbeeld kon voor het Nederlandse project Brieven in de Toekomst een goede prognose worden gemaakt, zowel wat de hoeveelheid binnengekomen brieven betreft als de tijdsinvestering die de verdere verwerking zal vergen. Ook op het gebied van de bescherming van privacy bood het Scandinavische voorbeeld veel goede adviezen.

Over de achtergronden van het project kunt u meer lezen in het volgende pdf-bestand:

Brieven

De brieven aan de toekomst zijn op verschillende manieren en verschillende vormen binnengekomen. In sierlijke danwel onleesbare handschriften, getypt, per e-mail, op cassettebandjes opgenomen, op diskettes opgeslagen of in mooie tekeningen vormgegeven. Schoolklassen hebben vaak gezamenlijk iets gemaakt. Ook voorwerpjes waarvan men dacht dat deze in het volgende millenium misschien verdwenen zouden kunnen zijn, zoals een gum of een tandenborstel, werden meegestuurd. Behalve foto's en kassabonnen werden ook zelfgemaakte dingetjes zoals tekeningen en borduursels aan de toekomst toevertrouwd.

Er is geschreven over alledaagse dingen: wat er gegeten werd, wat men aan kleding droeg, hoe warm het was, wat men met vrienden ondernam, of wat er die dag op het schoolplein gebeurde. Ook persoonlijke emotionele gebeurtenissen zijn beschreven, waarbij festiviteiten zoals een bruiloft, een geboorte, een verjaardag in schril contrast staan met een begrafenis, een incestervaring, een vervelende herinnering of een gevoel van eenzaamheid.

De briefschrijvers zijn tussen de 8 en 98 jaar en afkomstig uit alle lagen van de bevolking. De meeste ervan komen uit de leeftijdscategorie 45-75 jaar. Afzenders zijn onder meer scholieren, bejaarden, huisvrouwen, huismannen, een asielzoeker, een taxichauffeur, een monnik, een prostituee, een zakenman, een gevangene, een huisarts, een boer en een groep studenten. Ook uit het buitenland afkomstige landgenoten hebben gereageerd, evenals ongeveer vierhonderd Nederlanders die buiten Nederland wonen.

Over de (on-)mogelijkheden van het doen van onderzoek in het brievenbestand, de herkomst en inhoud van de brieven, evenals de beperkingen van het materiaal kunt u meer lezen in het volgende pfd-bestand:

Boek

Uit de eerste drieduizend gelezen en gedocumenteerde brieven is een selectie gemaakt voor een tentoonstelling en het boek Brieven aan de Toekomst, dat in 1999 is verschenen. Tweeënzestig leuke, verdrietige en meest opmerkelijke brieven zijn hierin opgenomen.

  

10 jaar na dato

Op 15 mei 2008 – precies 10 jaar later – is het project op kleine schaal herhaald. Op de website van het Meertens Instituut werd een oproep geplaatst om nieuwe brieven in te sturen. 

ImagePrecies tien jaar geleden werden Nederlanders middels de landelijke campagne Brieven aan de Toekomst opgeroepen een dag uit hun leven te beschrijven. Deze dag was: 15 mei 1998. Het initiatief hiertoe werd genomen door drie grote instellingen die zich met Nederlandse cultuur bezighouden: het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (Utrecht), het Nederlands Openluchtmuseum (Arnhem) en het Meertens Instituut (Amsterdam).

Doel van dit brievenproject was de opbouw van een groot nationaal archief van dagbeschrijvingen van zoveel mogelijk verschillende Nederlanders. Wetenschappers van de toekomst kunnen dit archief raadplegen om inzicht te krijgen in het dagelijks leven van mensen aan het eind van de vorige eeuw.

Naar aanleiding van deze campagne zijn 39.571 brieven binnengekomen. De verzameling is op het Meertens Instituut gearchiveerd en opgeborgen in zuurvrije enveloppen en dozen. Het instituut beheert en bewaart daarmee een unieke collectie egodocumenten. Toekomstige onderzoekers die onderzoek willen doen naar eetgewoonten, kleedgedrag, feesten, rituelen, lief en leed, relaties (familie, vrienden, collega's), religie, sexualiteit of ouderdom, zoals dat beleefd werd aan het eind van de vorige eeuw, vinden op het Meertens Instituut een prachtig archief met contemporain en persoonlijk bronnenmateriaal over deze periode.

Tien jaar geleden was het een enorm succes, meer dan 50.000 Nederlanders zonden toen een Brief aan de Toekomst, waarin ze hun dagelijkse bezigheden vastlegden voor de toekomst. Morgen – op 15 mei 2008 – wordt dit unieke project op kleine schaal herhaald.De bedoeling is om een aanvulling te creëren op het archief van toen. De onderzoekers willen namelijk weten of er in de afgelopen tien jaar veel is veranderd. Maatschappelijk en politiek in ieder geval wel. Maar heeft dat ook zijn weerslag gehad op de rituelen van het dagelijks leven? Iedereen die er indertijd niet aan toekwam om te schrijven of opnieuw wil schrijven, wordt uitgenodigd om in de pen te klimmen. Maar ook mensen die nog nooit van het project gehoord hebben, worden gevraagd om mee te doen. Hebt u interesse om mee te doen, dan vindt u informatie op de website van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur.

Verdere informatie over het oorspronkelijke project 'Brieven aan de Toekomst' vindt u hier.

Boekpresentatie 101 bedevaartplaatsen in Nederland van Peter Jan Margry en Charles Caspers.
Plaats: Amsterdam, de Engelse Kerk, Begijnhof 48
Tijd: 17.30u

Met veel genoegen nodigt Uitgeverij Bert Bakker u uit voor de presentatie van 101 bedevaartplaatsen in Nederland van Peter Jan Margry en Charles Caspers.

Het eerste exemplaar van 101 bedevaartplaatsen in Nederland zal worden overhandigd aan Frits van Oostrom.

RSVP voor maandag 21 april naar: publiciteit@pbo.nl o.v.v. presentatie 101 bedevaartplaatsen in Nederland of naar: Renee Deurloo (telefoon: 020-6241934), Herengracht 540, 1017 CG, Amsterdam.

alt

foto Ruben A. Koman: Carnavalspop van de (spotnaam) ‘Keienschijter’, te Arcen

Fonologische variatie

Fonologische variatie van Nederlandse dialecten (2005-2010)

Het onderzoek strekt zich uit tot segmentele variatie binnen het Nederlandse taalgebied. De nadruk ligt enerzijds op de bijdrage die de studie van deze variatie kan leveren in het inzicht in segmentele representatie en anderzijds op een verruiming en verscherping van het concept ‘dialectafstand’.
Resultaten in 2009: B.J.H. Hermans: 1 artikel en 1 hoofdstuk in boek. F.L.M.P. Hinskens: 4 lezingen, 1 artikel en 2 hoofdstukken in boek(-en). M. van Oostendorp: 1 artikel, 2 hoofstukken in boek(-en), 5 lezingen en 1 workshop (M. van Oostendorp).
Medewerkers: B.J.H. Hermans (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder).

From dialect to regiolect: how this change is reflected in the production and perception of the speakers (2007-2011)

Listening to radio or television one notices the tendency for standard Dutch (ABN) to become more and more differentiated, i.e. regionally colored. Hoppenbrouwers (1990) showed the opposite tendency for dialects. Being influenced by standard Dutch and by each other they have become less differentiated and fused to larger wholes: regiolects (see also Hinskens (1993), Auer & Hinskens (1996), and Hinskens, Auer & Kerswill (2005)). While earlier scholars usually describe this change in terms of single linguistic phenomena, we plan to investigate this change using modern web-based and computational techniques to obtain an overall picture of this change. Our goal is to examine how the change from dialects to regiolects is reflected in the production and perception of the dialect speakers. The results of our research will give insight into the nature of language change and dialect levelling. The research is important for historical linguists since it gives information about the direction and rates of sound change. The research will be based on representative Dutch dialects of approximately 80 locations in the Netherlands and North Belgium. Perceptive distances are obtained on the basis of a web survey in which speakers listen to recordings. Computational distances are found on the basis of the transcriptions of the recordings. In the experiments two groups are distinguished: conservative dialect speakers (old males) and innovative dialect speakers (young females). We will test three hypotheses. First, perceptive distance measurements which are based on the recordings of innovative speakers will suggest larger areas than those which are based on the recordings of conservative speakers. Second, the change from dialect to regiolect affects the lexical level (‘kopstubber’ becomes ‘roagebol’) more strongly than the phonological (‘hoes’ becomes ‘huus’) and phonetic levels. Third, this change also affects the perception of the speakers, but perception lags behind production.   Project in samenwerking met: Rijksuniversiteit Groningen, Universitaet Wien, Ohio State University, Forschungszentrum Deutscher Sprachatlas Marburg.
Resultaten in 2009: 1 ‘invited’ lezing (F.L.M.P. Hinskens).
Medewerkers: W.J. Heeringa (onderzoeker), F.L.M.P. Hinskens (begeleider).

Segmentstructuur en -modificatie (2005-2010)

Onderzoek naar de interne structuur van fonologische segmenten in samenhang met natuurlijke klassen, met bijzondere aandacht voor complexe segmenten, aan de hand van de distributie van segmentmodificatie (secundaire articulatie, fonatie en (pre)nasalisering). Het onderzoek betreft de natuurlijke talen van de wereld, meer in het bijzonder de quotasteekproef (n=317) in Maddieson 1984.
Resultaten in 2009: verdere verfijning en uitbreiding database.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder), J. van de Weijer (Universiteit Leiden).

Tone and intrasegmental structure in West-Germanic dialects (2005-2009)

The so-called ‘Franconian’ dialects of the borderland of Germany, the Netherlands, Belgium and Luxemburg share an interesting phonological feature: they have a lexical tone contrast, i.e. a word can mean different things depending on which of the two tones it contains. Many aspects of these dialects are not very well understood, particularly regarding the interaction between tone and segmental structure. The current proposal contains three closely related projects in which an attempt is made to solve the numerous problems of Franconian tonology and to integrate Franconian into the typology of tone languages. In these projects insights of modern phonology and phonetics are put to work and combined with the techniques of classical dialectology. Project in samenwerking met: Instituut voor Fonetische Wetenschappen, UvA.
Resultaten in 2009: 1 artikel (Hermans, B.J.H) en 1 hoofstuk in boek (Hermans, B.J.H).
Medewerkers: P. Boersma (Fonetisch Instituut UvA), B.J. H. Hermans (senior onderzoeker), W. Kehrein (Fonetisch Instituut UvA), B. Koehnlein (AiO), M. van Oostendorp (senior onderzoeker), M. Prehn (AiO).

Syntactische variatie

Agreementrelaties (2001-2010)

Het verschijnsel ‘agreement’ is een centraal thema in de theoretische taalkunde. Bekend is dat agreementrelaties, zoals congruentie tussen subject en persoonsvorm of tussen nomen en adjectief, een grote mate van variatie vertonen. Doel van dit project is inzicht te verkrijgen in de mate en de aard van variatie op dit terrein en de theoretische consequenties daarvan.
Resultaten in 2009: 1 hoofdstuk in boek, 5 lezingen.
Medewerkers: H.J. Bennis (projectleider/uitvoerder).

De rechterperiferie van de zin (2005-2010)

Onderzoek naar extrapositie, meer in het bijzonder naar asymmetrieën in de distributie van syntactische categorieën aan de rechterkant van de zin, met name in het Nederlands, Engels en Duits.
Resultaten in 2009: geen
Medewerkers: L.C.J. Barbiers (projectleider/uitvoerder).

Early successive bilingualism: Bilingual first language acquisition or child second language acquisition? (2008-2010)

Als gevolg van toenemende migratie worden veel kinderen vroeg in hun leven met een tweede taal geconfronteerd. Dit project, dat gecombineerd wordt met het VENI onderzoek van S. Unsworth (2008-2012), onderzoekt of het uitmaakt met welke leeftijd je begint met het leren van een tweede taal en hoeveel contact met de taal daarbij noodzakelijk is. Drie verschillende groepen van Engels/ Nederlands tweetaligen worden onderzocht, nl. (i) kinderen die vanaf geboorte twee talen leren, (ii) kinderen voor wie aanbod van de tweede taal niet vanaf de geboorte maar wel vóór het vierde jaar plaatsvindt en (iii) kinderen die pas nà het vijfde jaar beginnen met het leren van een tweede taal. Er wordt gekeken naar de verwerving van grammaticaal geslacht en van woordvolgorde. Project in samenwerking met: Universiteit van Amsterdam, University of Edinburgh, University of Thessaloniki.
Resultaten in 2009: 1 artikel (S. Unsworth) en 4 lezingen.
Medewerkers: E. Argyri (University of Edingburgh), M. Brugman (onderzoeksmedewerker), L. Cornips (coördinator),   A. Hulk (coördinator, Universiteit van Amsterdam), L. van Meel (onderzoeksmedewerker), L. Persson (onderzoeksmedewerker), A. Sorace (University of Edingburgh), I. Tsimpli (University of Thessaloniki), S. Unsworth (Meertens Instituut/Universiteit Utrecht).

European Dialect Syntax (2005-2010)

(i) Documentatie en analyse van syntactische verdubbelingsverschijnselen in Europese dialecten (ii) Opbouwen van Europees netwerk van dialectsyntactici. Standaardiseren van methodologie, opslag en retrieval van syntactische data.
Resultaten in 2009: 2 artikelen (S. Barbiers), 1 hoofdstuk in boek (M. Lekakou), 1 redacteurschap (S. Barbiers), 29 lezingen, 3 workshops, 3 Ba/Ma cursussen (S. Barbiers) en 1 Ba-cursus (H.J. Bennis, E. Boef en F. Wesseling), 1 PhD cursus (S. Barbiers), 2 keer supervisie Masterscriptie (S. Barbiers).
Medewerkers: S. Barbiers (projectleider), E. Boef (medewerker onderzoek), O.Koeneman (postdoc), J. P. Kunst (softwareontwikkelaar), F. Wesseling (medewerker onderzoek).

Sociolinguïstisch/Syntactisch onderzoek: Limburg (2000-2010)

Onderzoek gericht op syntactische variatie en verandering in de Limburgse dialecten en het Limburgse Nederlands; parameters en sociale distributie; comparatief onderzoek Romaans. Deelproject hiervan is syntactisch/sociolinguïstisch onderzoek naar grammaticale convergentie en divergentie in het Heerlens Nederlands en South Armagh Engels (Ierland) en de betreffende standaardtalen. Project in samenwerking met: University of Newcastle, UK.
Resultaten in 2009: 1 artikel.
Medewerkers: L. Cornips (onderzoeker).

Syntax of Modality (2001-2010)

Onderzoek naar de syntactische representatie van de semantische ambiguïteit van modale hulpwerkwoorden.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers (uitvoerder).
Resultaten in 2009: geen

Naamkunde

Achtergronden van moderne voornaamgeving (1999-2009)

Het onderzoek richt zich op achtergronden van moderne voornaamgeving, in het bijzonder taalkundige aspecten, motieven, met onder meer aandacht voor de rol van vernoeming naar idolen en naar familieleden, en sociale, etnische en geografische spreiding.
Resultaten in 2009: 1 artikel (‘Namen en identiteit’).
Medewerkers: D. Gerritzen (senior onderzoeker).

DOC Namen (2006-2009)

Het DOC Namen (DOC staat voor Documentatie- en Onderzoeks Centrum) is een initiatief van het Meertens Instituut dat de naamkunde in het Nederlands taalgebied een basis geeft.
Resultaten in 2009: medewerkers van het DOC Namen hebben, naast hun individuele taken, de internationale bijeenkomst ‘Names in the Economy III’ (11-13 juni) georganiseerd. Zij zijn ook de initiatiefnemers van de lezingenmiddag ‘Onomastics between linguistics and ethnology’ (9 juni). De ondersteuning van het Netwerk Naamkunde hield onder meer het organiseren van de workshop ‘Brabant’ in (24 april). Het DOC Namen is per 1 september opgeheven. De naamkunde van het Meertens Instituut zal zich voortaan vooral richten op de documentatie. Het nieuwe project waaronder de naamkundige actviteiten worden geschaard heet Namenportaal.
Medewerkers: G. Bloothooft (onderzoeker), R. Boerrigter (medewerker onderzoek), L. Brouwer (medewerker onderzoek), D. Gerritzen (senior onderderzoeker), H. Nijboer (medewerker onderzoek).

Netwerk Naamkunde (2006-2010)

Het Netwerk Naamkunde is een platform waarop naamkundig actieven in Nederland en Vlaanderen hun krachten bundelen – geografisch verspreid, maar via internet en workshops verbonden. Het bestaat uit circa 80 leden uit Nederland en Vlaanderen. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze mensen is dat zij zich op een wetenschappelijke manier voor namen interesseren. De mate waarin en de context waarbinnen zij zich met naamkunde bezighouden, is zeer verschillend. Slechts een klein deel noemt zich naamkundige. Daarmee vormen Nederland en Vlaanderen internationaal gezien geen uitzondering, want ook elders zien we deze diversiteit. Het Netwerk Naamkunde wordt organisatorisch en technisch ondersteund door het DOC Namen. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit het in kaart brengen van de naamkundige activiteiten van de leden van het netwerk, het verzorgen van de informatievoorziening voor de leden van het Netwerk en het organiseren van symposia en workshops. Daarnaast wordt een naamkundige agenda verzorgd (overzicht van symposia, lezingen, congressen, nieuw te verschijnen publicaties en dergelijke) en het archief en secretariaat van het Netwerk Naamkunde gevoerd (onder andere het beheren van het centrale e-mailadres info@naamkunde.net). Tot slot vormt de technische ondersteuning van het Netwerk Naamkunde een belangrijk streven. Dit betreft onder meer elektronische faciliteiten ten behoeve van samenwerking en van gegevensuitwisseling, de toegankelijkheid van gegevensbestanden, en de website. Voor de leden is er een mailinglijst voor discussie en kennisuitwisseling. De mailinglijst voorziet duidelijk in een behoefte. Naast uitwisseling van kennis vinden er levendige discussies plaats. Door een aantal participanten wordt de mailinglijst als een informatiebron bij het onderzoek gebruikt. Internet: http://www.naamkunde.net . Deelproject van ‘DOC Namen’.
Resultaten in 2009: organisatie van de workshop Netwerk Naamkunde: ‘Brabant’ (24 april 2009).
Medewerkers: R. Boerrigter (medewerker onderzoek), D. Gerritzen (senior onderzoeker).

Overige projecten

Dialecticiteit in Nederland (1997-2010)

In samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt met een interval van vijf jaar grootschalig onderzoek uitgevoerd onder een representatieve steekproef van 5000 respondenten naar de mate van dialectgebruik. Doel is om een indruk te krijgen wie in Nederland dialect spreekt. Effecten van regio (mate van stedelijkheid), leeftijd, sociaal-economische status en geslacht worden in kaart gebracht. Project in samenwerking met: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Resultaten in 2009: 1 artikel, redactie themanummer IJSL.
Medewerkers: W. Jongenburger (uitvoerder).

Jongerentaal en straattaal (2003-2010)

Doel van het project is om straattaal zowel taalkundig als antropologisch in kaart te brengen, op basis van onderzoek naar de taalkundige diversiteit van jongeren met een verschillende etnische achtergrond in de grote steden in Nederland. Project in samenwerking met: UvA.
Resultaten in 2009: 4 lezingen.
Medewerkers: L.M.E.A. Cornips (begeleider / uitvoerder), V.A. de Rooij (UvA).

Meertensvragen in de Talenquiz (2007-2010)

Maandelijks levert het Meertens Instituut een vraag over taalvariatie aan de Talenquiz. De Talenquiz (Taalstudio/de Praktijk) laat leerlingen van de bovenbouw op een aansprekende manier kennismaken met de breedte van het taalwetenschappelijk vakgebied. Internet: http://www.kennislink.nl/publicaties/de-talenquiz. Project in samenwerking met: De Taalstudio.
Resultaten in 2009: 10 taalvragen in 2009 (m.u.v. de maanden juli en augustus).
Medewerkers: M.M. Jansen (webredacteur).

Taal en identiteit op de Waddeneilanden (2000-2010)

Onderzoek naar de processen van dialectverlies en dialectbehoud op de Nederlandse Waddeneilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Het hoofdaccent ligt op het dialect van Ameland. Onderzocht wordt de kwaliteit van het dialect op Ameland, de invloed van het Nederlands en het Fries, attitudes van de Amelanders tegenover de omringende standaardtalen, en de manier waarop men zich actief inzet voor het dialect. Internet: http://www.meertens.knaw.nl/cms/nl/medewerkers/143160.
Resultaten in 2009: 2 lezingen; manuscript ingeleverd (in december goedgekeurd door de leescommissie; promotiedatum 08-04-2010).
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (begeleider en promotor), M.M. Jansen (promovendus), M. van Oostendorp (begeleider en promotor).

The roots of ethnolects (2005-2010)

Naast het Indisch Nederlands en het Surinaams Nederlands ontstaan er heden ten dage andere etnisch gekleurde variëteiten (oftewel etnolecten) van het Nederlands. In dit project gaat het erom de wortels van deze etnolecten bloot te leggen. Putten etnolecten uit de lokale stadsdialecten, of staan ze daar los van? Vinden we in een etnolect de sporen terug van de tweede-taalverwervingsprocessen van de eerste generatie? Komen er elementen uit de oorspronkelijke moedertaal van de etnische groep in voor, en zo ja, welke? Wat is het verband tussen het meer stabiele etnolect en de meer vluchtige jeugdtalen en straattalen? Verbreidt het etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep (‘crossing’)? Hoe raakt een jongere ingevoerd in het etnolect? Om deze en verwante vragen te beantwoorden worden groepjes Marokkaanse en Turkse jongeren van 12 en 20 jaar opgenomen in Amsterdam en Nijmegen, in interactie met elkaar en met van oorsprong Nederlandse jongeren. Internet: http://www.rootsofethnolects.nl. Project in samenwerking met: Algemene Taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen.
Resultaten in 2009: 1 hoofdstuk in boek (F. Hinskens).
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (onderzoeksleider Variatielinguïstiek), A. van Wijngaarden (AiO).

De onderzoeksgroep Variatielinguïstiek beschrijft en onderzoekt de taalkundige variatie in het Nederlandse taalgebied, allereerst in Nederland. Het gaat daarbij niet alleen om geografische variatie (o.a. dialecten), maar ook om sociaal en cultureel bepaalde variatie. Het belangrijkste doel van dit onderzoek is om inzicht te verwerven in de aard van taalvariatie, de taalkundige factoren die daarbij een rol spelen en de buitentalige factoren (o.a. leeftijd, gender, etniciteit) die variatie in Nederland veroorzaken of beïnvloeden. Het onderzoek is gericht op inzicht in de hedendaagse situatie. Diachroon onderzoek naar taalverandering speelt daarbij een rol, naast sociolinguïstisch en formeel taalkundig onderzoek; wezenlijk is ook de wisselwerking tussen deze drie benaderingen. De onderzoeksgroep concentreert zich op variatie in de grammatica (klanken, woordvorming en zinsbouw).

Afbeelding uit de Dialectatlas van het Nederlands, Spijkerbroek (p. 88).


Fonologische variatie

Fonologische variatie van Nederlandse dialecten (2005-…)

Het onderzoek strekt zich uit tot segmentele variatie binnen het Nederlandse taalgebied. De nadruk ligt enerzijds op de bijdrage die de studie van deze variatie kan leveren in het inzicht in segmentele representatie en anderzijds op een verruiming en verscherping van het concept ‘dialectafstand’.
Resultaten in 2011: B. Hermans: 1 publicatie in wetenschappelijk tijdschrift (reviewed), 1 publicatie in wetenschappelijk tijdschrift (not reviewed), 5 lezingen. M. van Oostendorp: 1 publicatie in wetenschappelijk tijdschrift (reviewed), 1 bundel (Blackwell Companion to Phonology), 9 lezingen als keynote spreker, 5 overige lezingen, 3 workshops/bijeenkomsten, 1 boekreview, onderwijs, 2 begeleidingen masterscriptie, 19 niet wetenschappelijke publicaties. F. Hinskens: 1 lezing als keynote spreker, 2 overige lezingen, 2 reviews grant application, 1 promotiebegeleiding. P. Jurgec: 2 lezingen als keynote spreker, 1 overige lezing, onderwijs.
Medewerkers: B. Hermans (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), P. Jurgec (onderzoeker), M. van Oostendorp (uitvoerder).

Van dialect naar regiolect: hoe deze verandering weerspiegeld wordt in productie en perceptie van de sprekers (2007-2011)

In het taalgebruik op radio en televisie wordt het standaard Nederlands hoe langer hoe gedifferentieerder, dat wil zeggen regionaal gekleurd. Hoppenbrouwers (1990) heeft de omgekeerde tendens laten zien voor dialecten. Doordat ze zowel worden beïnvloed door de standaardtaal als door elkaar, worden ze in het algemeen juist minder gedifferentieerd en klonteren ze samen tot grotere eenheden: regiolecten (vlg. ook Hinskens (1993), Auer & Hinskens (1996), en Hinskens, Auer & Kerswill (2005)). Waar dit type verandering tot nog toe voornamelijk werd beschreven in termen van afzonderlijke talige verschijnselen, wordt het in dit project onderzocht met behulp van moderne web-gebaseerde en computationele technieken; deze geven een breed panoramisch beeld van dit type verandering. Het doel van dit project is, te onderzoeken hoe de verandering van dialecten naar regiolecten weerspiegeld wordt in productie en perceptie van de sprekers. De resultaten van dit onderzoek geven inzicht in de aard van taalverandering en dialectnivellering. Het onderzoek is van belang voor historisch taalkundigen omdat het inzicht biedt in richting en tempo van klankverandering. Het onderzoek is gebaseerd op representatieve Nederlandse dialecten van meer dan 80 verschillende plaatsen in Nederland en Vlaanderen. Perceptieve afstanden worden verkregen op basis van een web survey waarin dialectsprekers naar dialectopnames luisteren. Computationele afstanden worden bepaald op basis van de transcripties van de opnames. In de experimenten worden twee groepen onderscheiden: conservatieve dialectsprekers (oudere mannen) en innovatieve dialectsprekers (jongere vrouwen). Er worden drie hypotheses getoetst. Ten eerste, perceptieve afstanden die gebaseerd zijn op opnames van innovatieve sprekers suggereren grotere dialectgebieden dan afstanden die gebaseerd zijn op opnames van conservatieve sprekers. Ten tweede, de verandering van dialect naar regiolect betreft het lexicale niveau (‘kopstubber’ wordt ‘roagebol’) sterker dan de klankcomponenten fonologie (‘hoes’ wordt ‘huus’) en fonetiek. Ten derde, deze verandering betreft ook de perceptie van de sprekers, maar de perceptie loopt achter bij de productie. Project in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen, Universitaet Wien, Ohio State University, Forschungszentrum Deutscher Sprachatlas Marburg.
Resultaten in 2011: 3 lezingen (waarvan 1 invited).  Veldwerk in drie plaatsen, sprekers vertellen verhaal, vertalen tekst en lezen die voor, en beantwoorden diverse vragen. Het resultaat is een opname die in lengte kan varieren van een half uur tot ongeveer twee uur. Daarnaast opname standaard Duits op het instituut. IPA/X-SAMPA transcripties van 2 x 86 dialectfragmenten plus 3 standaardtalen, totaal 175 fragmenten, maximaal 125 woorden per fragment en lexicale/morfologische codering aangebracht.
Medewerkers: W.J. Heeringa (onderzoeker), F.L.M.P. Hinskens (begeleider).
 

Syntactische variatie

Agreementrelaties (2001-…)

Het verschijnsel ‘agreement’ is een centraal thema in de theoretische taalkunde. Bekend is dat agreementrelaties, zoals congruentie tussen subject en persoonsvorm of tussen nomen en adjectief, een grote mate van variatie vertonen. Doel van dit project is inzicht te verkrijgen in de mate en de aard van variatie op dit terrein en de theoretische consequenties daarvan.
Resultaten 2011: 2 hoofdstukken in bundel, 3 lezingen
Medewerker: H.J. Bennis (projectleider/uitvoerder).

Dynamica van Syntactische Taalveranderingen (2009-…)

In dit project leggen we een verband tussen geografische en temporele patronen (E-taal), verkregen via een kwantitatieve analyse van een taalverandering, en de aard van de taal-interne verandering (I-taal). De bedoeling is kwantitatieve modellen op te stellen en deze te testen met behulp van diachrone corpora.
Resultaten 2011: 1 artikel in tijdschrift, 1 hoofdstuk in bundel, 1 lezing als keynote spreker, 4 overige lezingen.
Medewerkers: G. Postma (uitvoerder).

European Dialect Syntax (2005-2012)

(i) Documentatie en analyse van syntactische verdubbelingsverschijnselen in Europese dialecten (ii) Opbouwen van Europees netwerk van dialectsyntactici. Standaardiseren van methodologie, opslag en retrieval van syntactische data.
Resultaten in 2011: technologische infrastructuur: Database Freiburgs Engels corpus (FRED) toegevoegd. Data van het Italiaans (ASIt) geupdate met POS tagging van de testzinnen. User interface Edisyn aangepast en verfijnd. Google Translate-optie toegevoegd voor corpora zonder glossen. Begonnen met verwerking Nordic Syntactic Judgments Database. Nieuw ontwerp voor de Edisyn sites (zoekmachine en dialectsyntax.org). Dialectsyntax.org is getransformeerd naar WIKI. 18 internationale lezingen 2 internationale publicaties 1 workshop.
Medewerkers: S. Barbiers (projectleider), E. Boef (medewerker onderzoek), F. Wesseling (medewerker onderzoek).

Sociolinguïstisch/Syntactisch onderzoek: Limburg (2000-…)

Onderzoek gericht op syntactische variatie en verandering in de Limburgse dialecten en het Limburgse Nederlands; parameters en sociale distributie.
Resultaten in 2011: 4 lezingen (als keynote spreker)
Medewerkers: L. Cornips (onderzoeker).

Naamkunde

LINKS: koppelingssysteem voor historische familiereconstructie (2009-2013)

LINKS heeft tot doel om alle families in Nederland in de 19e en 20ste eeuw te reconstrueren. Deze reconstructie zal gebaseerd worden op GENLIAS, de digitale index van alle registers van de burgerlijke stand uit die periode. Al vijftien jaar lang zijn talrijke vrijwilligers bezig geweest om de index te bouwen, en ze hebben nog vele jaren te gaan. Deze index bevat niet alleen de namen van de geborenen, gehuwden en overledenen maar ook de namen van hun ouders en partners, geboorteplaats, geboortedatum en soms ook beroepen. De beschikbaarheid van deze gegevensverzameling heeft een groot potentieel voor wetenschappelijk onderzoek dat gericht is op individuen in familieverband. Dit is niet alleen van het grootste belang voor historische demografie en sociale- en economische geschiedenis, maar ook voor naamkunde, epidemiologie, antropologie, historische sociologie en genetica. Als gevolg van de hoge mate van onzekerheid in de spelling van voor- en achternaam (door lees- en typfouten, verkeerde notaties en inconsistenties bij de registratie, regionale verschillen, etc.) en inconsistenties tussen archieven bij de lokale gegevensopslag, is gegevenskoppeling een gecompliceerde taak. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met het IISG (KNAW), LIACS (Universiteit Leiden), UiL-OTS (Universiteit Utrecht).
Resultaten in 2011: 1 artikel in bundel, 4 lezingen en publiciteit in het kader van 200 jaar Burgerlijke Stand (jeugdjournaal, radiouitzendingen, Volkskrant, Spits, ANP)
Medewerkers: G. Bloothooft (onderzoeker / mede-projectleider Meertens Instituut / UiL-OTS UU), K. Mandenmakers (onderzoeker / projectleider IISG).

Overige projecten

Cognition, Acquisition and Variation tool (Clarin project) (2011-2012)

In dit project wordt digitaal gereedschap ontwikkeld ten behoeve van innovatief interdisciplinair onderzoek waarbij gekeken wordt naar de talige eigenschappen van lexicale items, zowel binnen eerste taalverwerving als binnen dialectvariatie. Gereedschap dat in een eerder onderzoeksproject ontwikkeld werd om omvangrijke lexicale dialectdatabanken te ontsluiten, dient daarbij als uitgangspunt. De databanken die in dit project naast elkaar gelegd worden, zijn CHILDES en de digitale woordenboeken van de Limburgse en Brabantse dialecten. Het project laat zien hoe je met de CLARIN-infrastructuur sterk verschillende taalkundige disciplines, namelijk eerste kindertaalverwerving en (historische) dialectologie met elkaar in verband kunt brengen en de informatie uit dataverzamelingen van verschillende disciplines kunt laten overeenstemmen. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk om te kijken welke variatie basisbegrippen, zoals zon, neus, boom en vis, vertonen in de woordenschat van dialecten en hoe ze als woorden worden geleerd door kinderen. Project in samenwerking met: Prof. J. Swanenberg; Universiteit van Tilburg.
Resultaten in 2011: 1 internationale, geselecteerde lezing (SDH 2011, Copenhagen).
Medewerkers: L. Cornips (onderzoeker), M. Kemps-Snijders (coordinator ICT), F. de Vriend (medewerker), W.J. Heeringa (onderzoeker), M.H.M. Snijders (ontwikkelaar ICT).

Diachrone corpora (2010-2012)

Coördinerende en inhoudelijke werkzaamheden om diachrone corpora voor onderzoek samen te stellen en te ontsluiten. Project in samenwerking met het Prize Papers Consortium, Huygens ING en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
Resultaten in 2011: Op 1 november is een NWO-Groot aanvraag ingediend voor ‘Nederlab – Laboratory for research on the patterns of change in the Dutch language and culture’ (29 pagina’s plus 3 appendices). Alle corpus-, tools- en infrastructuuraanbieders zijn betrokken bij de aanvraag, en de meeste universiteiten en onderzoeksinstellingen steunen de aanvraag. Op 30-3-2011 en 27-5-2011 zijn worskhops georganiseerd. Ter voorbereiding van de aanvraag is het open gedeelte van het Netwerk Diachronie (diachronie.nl) uitgebreid met een nieuwsrubriek en met allerlei voorheen niet toegankelijke corpora. Als testcase is gewerkt aan de samenstelling van een Amerikaans-Nederlands corpus van de 17e eeuw tot heden, waarvoor stagiaire G. Bruining van de VU het grootste gedeelte van de getikte of handgeschreven enquêtes van Jo Daan gedigitaliseerd heeft. Er zijn Amerikaans-Nederlandse teksten uit diverse periodes verzameld en er is contact gelegd met allerlei personen en instellingen die materiaal bezitten, waaronder het New Netherland Project. In november 2011 is, met steun van het Prins Bernhard Cultuurfonds, een vrijwilligersproject gestart t.b.v. de ontsluiting en transcriptie van gekaapte documenten uit de 17e- en 18e- eeuw. Er zijn ca. 150 vrijwilligers geworven. Technici van het Meertens Instituut hebben een applicatie gemaakt voor het invoeren van metadata bij de gekaapte brieven. Bij het project wordt samengewerkt met een groot aantal instellingen (Huygens ING, Koninklijke Bibliotheek, Nationaal Archief, Fryske Akademie, UL/M. van der Wal, Brill, UvA), die tezamen in 2011 het Prize Papers Consortium hebben opgericht.
Medewerker: N. van der Sijs (onderzoeker).

Jongerentaal en straattaal (2003-…)

Doel van het project is om straattaal zowel taalkundig als antropologisch in kaart te brengen, op basis van onderzoek naar de taalkundige diversiteit van jongeren met een verschillende etnische achtergrond in de grote steden in Nederland. Project in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam.
Resultaten in 2011: 1 BA-scriptie, 1 MA-scriptie.
Medewerker: L. Cornips

Taalportaal (2011-2015)

Het project “Taalportaal” richt zich op het ontwerp, de ontwikkeling en de implementatie van een virtueel taalinstituut, een digitale gedistribueerde bron van kennis over de grammaticale eigenschappen van het Nederlands en het Fries. Zie http://www.taalportaal.org. Project in samenwerking met de Universiteit Leiden, Fryske Akademy, Instituut voor Nederlandse Lexicologie, Universiteit Utrecht.
Resultaten in 2011: In 2011 bevond het project zich in de opstartfase. H. Broekhuis heeft een eerste conceptversie van de eerste drie hoofdstukken van het werkwoord-hoofdstuk afgerond en een opzet gemaakt voor de overige hoofdstukken. Tevens heeft H. Broekhuis het nonimina-deel (1200pp.) klaargemaakt voor publicatie (voorjaar 2012). M. van Oostendorp en B. Köhnlein hielden een lezing op de Old World Conference in Phonology 8.
Medewerkers vanuit Meertens Instituut: H. Broekhuis (onderzoeker syntaxis), B. Köhnlein (onderzoeker fonologie), M. van Oostendorp (supervisor/onderzoeker fonologie), K. Sebregts (onderzoeker fonologie), T. van der Wouden (onderzoeker morfologie).

Meertensvragen in de Talenquiz (2007-2011)

Maandelijks levert het Meertens Instituut een vraag over taalvariatie aan de Talenquiz. De Talenquiz (Taalstudio/de Praktijk) laat leerlingen van de bovenbouw op een aansprekende manier kennismaken met de breedte van het taalwetenschappelijk vakgebied. Project in samenwerking met De Taalstudio.
Resultaten in 2011: 6 taalvragen in 2011.
Medewerkers: M.M. Jansen (webredacteur).

Spellingsvariatie in oudere Nederlandstalige teksten (2010-2012)

De doelstelling van dit project is om een ’tool’ te ontwikkelen die automatisch spellingsvariatie kan interpreteren in termen van zijn linguistische status (wordt de variatie bepaald door het dialect, door de schrijfschool, door de scribent, etc.). Het is de bedoeling dat deze ’tool’ een intermediair transcriptieniveau produceert tussen de originele tekst en de vertaling daarvan. De ’tool’ wordt online voor iedereen beschikbaar gesteld. Iedere geinteresseerde kan derhalve zijn/haar data ermee verrijken. Uiteindelijk zal de ’tool’ deel uitmaken van de CLARIN-infrastructuur.
Resultaten in 2011: Voor de CRM-database (Corpus-Reenen-Mulder) is een syllabificeerder ontwikkeld, zodat gemakkelijker gezocht kan worden op complexere fonologische omgevingen. Ieder lemma van de CRM-database is voorzien van alle geattesteerde realisaties, compleet met geografische gegevens.
Medewerkers: B. Hermans (fonoloog), G. Postma (morfosyntacticus), M. Rem (Radboud Universiteit).

The roots of ethnolects (2005-2012)

Naast het Indisch Nederlands en het Surinaams Nederlands ontstaan er heden ten dage andere etnisch gekleurde variëteiten (oftewel etnolecten) van het Nederlands. In dit project gaat het erom de wortels van deze etnolecten bloot te leggen. Putten etnolecten uit de lokale stadsdialecten, of staan ze daar los van? Vinden we in een etnolect de sporen terug van de tweede-taalverwervingsprocessen van de eerste generatie? Komen er elementen uit de oorspronkelijke moedertaal van de etnische groep in voor, en zo ja, welke? Wat is het verband tussen het meer stabiele etnolect en de meer vluchtige jeugdtalen en straattalen? Verbreid het etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep (‘crossing’)? Hoe raakt een jongere ingevoerd in het etnolect? Om deze en verwante vragen te beantwoorden worden groepjes Marokkaanse en Turkse jongeren van 12 en 20 jaar opgenomen in Amsterdam en Nijmegen, in interactie met elkaar en met van oorsprong Nederlandse jongeren. Project in samenwerking met Algemene Taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen.
Resultaten in 2011: 2 lezingen (beide keynote), 1 artikel in internationale bundel (reviewed).
Medewerker: F.L.M.P. Hinskens (onderzoeker Variatielinguïstiek).

Constructie van regionale identiteit in Limburg: een onderzoek naar taalcultuur (2011-…)

Dit project onderzoekt a) de inzet van taal (dialect, regiolect, Nederlands, hybride vormen) en cultuur (ritueel, feesten) in de constructie van lokale identiteit(en) in Limburg, b) de contexten waarin lokale identiteit(en) worden beleefd en uitgedragen, en c) de betrokken actoren en hun publiek. Hierbij is het niet zozeer de vraag of er – zoals het begrip dialectrenaissance suggereert – sprake is van een opleving van dialectgebruik in kwantitatieve zin: het gaat om de betekenissen die aan taalgebruik worden toegekend. Een belangrijk theoretisch uitgangspunt is dat ‘de plaats’, ‘de regio’ of ‘de streek’ geen geografisch afgebakende gebieden zijn met vastomlijnde culturele, linguïstische en historische eigenschappen, maar tijdsgebonden dynamische producten van collectief handelen en sociale verbeelding. Het onderzoek zal daarom zowel gericht zijn op de discursieve aspecten van de uitdrukking en vormgeving van lokale identiteit(en) als op de praxis waarbinnen deze identiteit(en) (in de zin van performance) vorm krijgen en worden beleefd (vgl. Bell 1997; Bourdieu 1984, 1991; Eckert 2000; Eckert & McConnell-Ginet 1999; Lave & Wenger 1991; Meinhof & Galasinski 2005). Project in samenwerking met: Universiteit van Amsterdam (dr. V. de Rooij en Prof. dr. J. Leerssen), Maastricht University (Prof. dr. W. Kusters en drs L. Thissen) en Radboud Universiteit (Prof. dr. E. Venbrux).
Resultaten in 2011: Gehonoreerde internationale NIAS-Exploratory Workshop, 2 nationale en 1 internationale lezingen, 1 MA-scriptie, 1 stageverslag.
Medewerkers: L. Cornips (onderzoeker Variatielinguïstiek), I. Stengs (onderzoeker Nederlandse Etnologie).


Fonologische variatie

Fonologische variatie van Nederlandse dialecten (2005-2010) Het onderzoek strekt zich uit tot segmentele variatie binnen het Nederlandse taalgebied. De nadruk ligt enerzijds op de bijdrage die de studie van deze variatie kan leveren in het inzicht in segmentele representatie en anderzijds op een verruiming en verscherping van het concept 'dialectafstand'.
Resultaten in 2006: 1 artikel, 1 lezing.
Medewerkers: B. Hermans (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder).

Segmentstructuur en -modificatie (2005-2010) Onderzoek naar de interne structuur van fonologische segmenten in samenhang met natuurlijke klassen, met bijzondere aandacht voor complexe segmenten, aan de hand van de distributie van segmentmodificatie (secundaire articulatie, fonatie en (pre)nasalisering). Het onderzoek betreft de natuurlijke talen van de wereld, meer in het bijzonder de quotasteekproef (n=317) in Maddieson 1984.
Resultaten in 2006: verdere verfijning en uitbreiding database; voorbereiding nieuwe analyses over effect natuurlijke klassen.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder), J. van de Weijer (Universiteit Leiden).

Tone and intrasegmental structure in West-Germanic dialects (2005-2009) The so-called 'Franconian' dialects of the borderland of Germany, the Netherlands, Belgium and Luxemburg share an interesting phonological feature: they have a lexical tone contrast, i.e. a word can mean different things depending on which of the two tones it contains. Many aspects of these dialects are not very well understood, particularly regarding the interaction between tone and segmental structure. The current proposal contains three closely related projects in which an attempt is made to solve the numerous problems of Franconian tonology and to integrate Franconian into the typology of tone languages. In these projects insights of modern phonology and phonetics are put to work and combined with the techniques of classical dialectology. Project in samenwerking met: Instituut voor Fonetische Wetenschappen, UvA.
Resultaten in 2006: 2 artikelen; 9 lezingen.
Medewerkers: P. Boersma (Fonetisch Instituut UvA), I. van Ginneken (AiO), B. Hermans (Senior Onderzoeker), W. Kehrein (Fonetisch Instituut UvA), M. van Oostendorp (Senior Onderzoeker), M. Prehn (AiO).

Morfologische variatie

Dialect-morfologie en fonologie: inflectie en klanksysteem (2000-2005) Onderzoek naar de variatie en verspreiding van morfologische dialectkenmerken en naar de rol van fonologische verschijnselen in de morfologie. Het onderzoek is gerelateerd aan het project Morfologische Atlas van Nederlandse Dialecten (MAND).
Resultaten in 2006: 1 artikel.
Medewerkers: B.L. van den Berg (uitvoerder), A.C.M. Goeman (coördinator/uitvoerder).

Morfologische Atlas van Nederlandse Dialecten (MAND) (1995-2005) Doel van dit project is de productie van een atlas die de variatie van morfologische verschijnselen in de Nederlandse dialecten bestrijkt, op basis van veldwerkmateriaal (GTP-data) voorzien van wetenschappelijk commentaar. Deel 1: meervoudsvorming, verkleinwoorden, genus en adjectiefflectie; deel 2: comparativering, pronomina en het werkwoord met stammen en uitgangen. Project in samenwerking met: VU, UFSIA.
Resultaten in 2006: 2 artikelen, 3 lezingen.
Medewerkers: A.C.M. Goeman (projectleider), B.L. van den Berg (uitvoerder).

Syntactische variatie

Agreementrelaties (2001-2010) Het verschijnsel 'agreement' is een centraal thema in de theoretische taalkunde. Bekend is dat agreementrelaties, zoals congruentie tussen subject en persoonsvorm of tussen nomen en adjectief, een grote mate van variatie vertonen. Doel van dit project is inzicht te verkrijgen in de mate en de aard van variatie op dit terrein en de theoretische consequenties daarvan.
Resultaten in 2006: 1 artikel, 1 lezing.
Medewerkers: H.J. Bennis.

De rechterperiferie van de zin (2005-2010) Onderzoek naar extrapositie, meer in het bijzonder naar asymmetrieën in de distributie van syntactische categorieën aan de rechterkant van de zin, met name in het Nederlands, Engels en Duits.
Resultaten in 2006: 1 lezing.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers.

De syntaxis van etnisch Nederlands (2003-2010) Onderzoek naar syntactische variatie in etnolecten, voorbouwend op TCULT-onderzoek.
Resultaten in 2006: 1 internationale lezing (selected) en organisatie internationaal symposium 'ethnolects' op SS16 (met J. Nortier) en organisatie Meertens workshop over 'culturele en talige aspecten van identiteitsconstructies' (met H. Dibbits).
Medewerkers: L.M.E.A. Cornips.

Determinants of Dialectal Variation (2003-2007) Promotieonderzoek gericht op het ontwikkelen van een syntactische maat, het toepassen van deze maat op de Nederlandse dialecten in de SAND-gegevensbank en het op kwantitatieve wijze verkennen van syntactische correlaties. Project in samenwerking met: Rijksuniversiteit Groningen (RuG).
Resultaten in 2006: 2 artikelen, 5 lezingen.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers (begeleider), H.J. Bennis (begeleider/promotor), J. Nerbonne (RUG), H. Niebaum (RUG), M. R. Spruit (promovendus).

European Dialect Syntax (2005-2010) (i) Documentatie en analyse van syntactische verdubbelingsverschijnselen in Europese dialecten (ii) Opbouwen van Europees netwerk van dialectsyntactici. Standaardiseren van methodologie, opslag en retrieval van syntactische data.
Resultaten in 2006: – 1 internationale workshop (30 lezingen over syntactische verdubbeling in dialecten in Europa) – 17 Edisyn meetings ter initiëring van / advisering over dialectsyntaxisprojecten: Genève (Franco-Provencaals), Toulouse (Occitaans), Bayonne (Frans- en Spaans-Baskische dialecten), Zürich (Zwitserduitse dialecten), Wenen (Beierse dialecten in Oostenrijk), London (dialecten van het Welsh en Scottish Gaelic), Dublin (dialecten van het Iers), Athene, Thessaloniki, Patras, Kreta (Griekse dialecten), Helsinki (Finse dialecten), Washington (Appalachian English), Amsterdam/Grahamstown (dialecten van het Afrikaans), Amsterdam/Nicosia (dialecten op Cyprus), Amsterdam/Nantes (dialecten van het Bretons), Reykjavík (variatie in het IJslands), Amsterdam/Newcastle (dialecten van het Engels), Amsterdam/Lissabon (dialecten van het Portugees). – Geïnitieerde aanvragen: 8; Afrikaans, Appalachian English, Baskische, Beierse, Engelse, Finse, Franse, Portugese dialecten – Reeds toegekende aanvragen: 3; Baskische dialecten (netwerksubsidie), Afrikaanse dialecten (SANPAD; Nederlands ministerie van Buitenlandse Zaken), Appalachian English – Bibliografie syntactische verdubbeling (in opbouw) – Database netwerk dialectsyntaxis – 20 lezingen – 5 artikelen – enquête perfectief-hulpwerkwoordverdubbeling – Edisyn-website.
Medewerkers: S. Barbiers (projectleider), M. van der Ham (onderzoeksmedewerker), O. Koeneman (postdoc), J. P. Kunst (softwareontwikkelaar), M. Lekakou (postdoc).

Sociolinguïstisch/Syntactisch onderzoek: Limburg (2000-2010) Onderzoek gericht op syntactische variatie en verandering in de Limburgse dialecten en het Limburgse Nederlands; parameters en sociale distributie; comparatief onderzoek Romaans. Deelproject hiervan is syntactisch/sociolinguïstisch onderzoek naar grammaticale convergentie en divergentie in het Heerlens Nederlands en South Armagh Engels (Ierland) en de betreffende standaardtalen. Project in samenwerking met: University of Newcastle, UK.
Resultaten in 2006: 1 per-reviewed internationaal paper in bundel, 1 nationaal peer-reviewed artikel in tijdschrift, 1 thema-nummer Taal en Tongval (met M. van Oostendorp), 1 internationale lezing (selected), 1 nationale lezing (invited).
Medewerkers: Prof. dr. K. Corrigan.

Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (2000-2007) Verzamelen, in kaart brengen en analyseren van syntactische variatie in het Nederlandse taalgebied op basis van een theoretische vraagstelling. Dataverzameling d.m.v. schriftelijke enquête (367 meetpunten) en mondelinge enquête (267meetpunten). Doel: database met spraakmateriaal, getranscribeerd en verrijkt met taalkundige informatie. Deze database is bestemd voor verder taalkundig onderzoek en voor het genereren van kaarten. Daarnaast wordt gewerkt aan een tweedelige papieren atlas met inleiding en kaartbespreking. Project in samenwerking met: Universiteit van Gent, Universiteit van Antwerpen, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden, Fryske Akademy.
Resultaten in 2006: DynaSAND (16 maart 2006), on-line database van SAND data (schriftelijke, mondelinge en telefonische enquête, gedeeltelijk getagd, met zoekmachine, cartografische tool en handleiding), 5 lezingen 1 publicatie.
Medewerkers: J. van der Auwera (Universiteit van Antwerpen), S. Barbiers (projectleider), H.J. Bennis (coördinator), M. Devos (Universiteit Gent), M. van der Ham (uitvoerder), J.P. Kunst (software-ontwikkelaar), G. de Vogelaer (Universiteit Gent).

Syntax of Modality (2001-2010) Onderzoek naar de syntactische representatie van de semantische ambiguïteit van modale hulpwerkwoorden.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers.

Tweede Taalverwerving (2005-2010) Onderzoek naar verwerving van syntaxis van het Nederlands door twee en/of meertalige kinderen in de leeftijd vanaf 2;5 tot 12 jaar. In dit project wordt de eventuele structurele overeenkomsten en verschillen onderzocht tussen jonge kinderen die het Nederlands als eerste taal verwerven (monolinguale kinderen) en hen die het Nederlands als tweede taal verwerven (bilinguale kinderen). De kinderen zijn onder meer van Nederlandse, Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Franse herkomst. Samenwerking met prof.dr. A. Hulk, UvA. Project in samenwerking met: UvA.
Resultaten in 2006: 4 peer-reviewed internationale papers in bundel (waarvan 3 met A. Hulk), 1 populair artikel, 2 nationale lezingen, 1 poster/alternate (GALANA), 1 internationale lezing (selected, BUCLD).
Medewerkers: L. Cornips (onderzoeker/onderzoekgroepsleider), A. Hulk (UvA).

Variation and standardisation: the influence of language contact on the emerging Dutch standard language (2004-2007) De periode van ruwweg 1400-1650 is een buitengewoon interessante in de geschiedenis van de Nederlandse taal. In een vrij hoog tempo voltrekt zich een veranderingsproces dat verschillende facetten kent: 1. Het systeem van inflectie nomina en verba raakt in verval, wat veranderingen teweegbrengt in de zinsbouw. Hierover is voor deze overgangsfase weinig bekend. Het verval van het inflectiesysteem roept op zich al de vraag op waarom dit is gebeurd. 2. Het ontstaan van een standaardtaal. Standaardisering houdt in dat er in deze periode een variant van het Nederlands ontstaat die "boven" de dialecten staat, waarbij "boven" zowel geografisch als functioneel geïnterpreteerd wordt. Geografisch, omdat er een variant ontstaat die in het hele Nederlandse taalgebied gebruikt kon worden. Functioneel, omdat die variant ook gebruikt ging worden waar gedurende de Middeleeuwen het Latijn overheerste. Project in samenwerking met: Universiteit van Nijmegen.
Resultaten in 2006: 8 artikelen in gereviewde tijdschriften, 21 lezingen, 1 conferentie.
Medewerkers: A. Bruijn (CLS-Nijmegen), G. Coupé (CLS-Nijmegen), A. van Kemenade (CLS-Nijmegen), G. Postma (senior onderzoeker), A. Ribbert (CLS-Nijmegen).

Variation in Inflection (2003-2007) Onderzoeksprogramma (NWO) gericht op onderzoek naar de variatie die kan worden aangetroffen bij verbale en adjectivale flectie. Verschillende dimensies worden bestudeerd: geografisch, historisch, 1e taalverwerving, 2e taalverwerving. Deelproject van 'Agreementrelaties', in samenwerking met: Nederlandse Taalkunde UvA.
Resultaten in 2006: 1 lezing.
Medewerkers: H.J. Bennis (projectleider Meertens Instituut/UvA), F. Weerman (projectleider UvA, Neerlandistiek), E. Blom (UvA, Neerlandistiek), A. Maclean (AiO), D. Polisenka (UvA, Neerlandistiek).

Naamkunde

Achtergronden van moderne voornaamgeving (1999-2010) Het onderzoek richt zich op achtergronden van moderne voornaamgeving, in het bijzonder taalkundige aspecten, motieven, met onder meer aandacht voor de rol van vernoeming naar idolen en naar familieleden, en sociale, etnische en geografische spreiding.
Resultaten in 2006: 2 artikelen: Gerritzen, D. (2006) 'Naming Children in a Globalizing World.' Acta Onomastica XLVII, 177-184. Gerritzen, D. & E. Caffarelli (2006) 'International onomastic projects. Possible themes, practical problems and benefits.' Rivista Italiana di Onomastica XII (1), 199-219.
Medewerkers: D. Gerritzen

Dimito: digitalisering van de microtoponiemen van het Meertens Instituut (2004-2006) Dimito staat voor het DIgitaliseren van MIcroTOpniemen. Veldnamen zijn namen voor kleinere landschappelijke entiteiten in zowel het natuurlandschap als het cultuurlandschap. Tot de eerste groep behoren namen voor allerlei woeste stukken grond, waaronder heide, natuurbos en moeras. Ook vijvers, plassen en poelen worden tot die categorie gerekend. Bij de tweede groep gaat het om namen voor cultuurgronden van zowel afzonderlijke percelen als grotere complexen akkerland, grasland en cultuurbos. Het Meertens Instituut heeft meer dan 30 jaar lang gegevens verzameld over de microtoponiemen die Nederland rijk is. Het materiaal bestaat grotendeels uit handgeschreven fiches waarop naast de naam ook informatie genoteerd staat over ligging, bodemgesteldheid, bodemgebruik en bron van de naam. In totaal zijn er naar schatting 240.000 fiches. Daarnaast bestaat de collectie uit meer dan 1700 kaarten. Dit zijn veelal kaarten van het kadaster waarop de microtoponiemen zijn geschreven. Het bestand is voor naamkundigen binnen en buiten het Meertens Instituut een aantrekkelijke bron voor onderzoek. Maar ook andere wetenschappers, zoals historici, historisch geografen en archeologen, hebben interesse in de collectie. Digitalisering van het bestand zou voor de verschillende disciplines niet alleen het onderzoek vergemakkelijken, maar ook mogelijkheden bieden voor het stellen van nieuwe vragen. Dimito is een pilotproject. Eerst wordt het materiaal en de mogelijkheden tot digitaliseren bestudeerd. De gedachten gaan in de richting van een geografisch informatiesysteem. Daarna zal een klein gedeelte gedigitaliseerd worden. Aan het einde van de pilot moet duidelijk zijn of het zinvol is het gehele bestand te digitaliseren en hoe dat technisch uitgevoerd moet worden.
Resultaten in 2006: eindverslag en conservering van de digitale resultaten (kleine steekproef uit het materiaal).
Medewerkers: D. Zeldenrust.

Urbane toponiemen. Een onderzoek naar moderne straatnamen en bedrijfsnamen vanuit taalkundig en sociologisch perspectief (2001-2006) Analyse en beschrijving van straatnamen (1950-2000) en bedrijfsnamen vanuit taalkundig en sociologisch/etnologisch perspectief. Aandachtspunten: morfologische structuur, semantiek, regionale verscheidenheid, dialectinvloed, invloed van straatnamen op andere urbane toponiemen, motivatie van naamkeuze, gemeentebeleid en naamperceptie.
Resultaten in 2006: dit jaar is in het kader van dit project 1 lezing gehouden tijdens een internationaal congres. Daarnaast is 1 paper opgenomen in een congresbundel. Verder is een populair-wetenschappelijk webpublicatie verschenen.
Medewerkers: H.J. Bennis (promotor), R. Boerrigter (promovendus), E.J. Brinkhuis (software-ontwikkelaar), D. Gerritzen (begeleider), J.P. Kunst (software-ontwikkelaar), R. Rentenaar (promotor).

Voornamen in Nederland (2002-2010) Analyse en beschrijving van de voornamen in Nederland. Project in samenwerking met: Utrechts Onderzoeksinstituut voor Linguistiek – OTS.
Resultaten in 2006: toegankelijk maken van de GBA-data.
Medewerkers: J.P. Kunst.

Overige projecten

Jongerentaal en straattaal (2003-2010) Doel van het project is om straattaal zowel taalkundig als antropologisch in kaart te brengen, op basis van onderzoek naar de taalkundige diversiteit van jongeren met een verschillende etnische achtergrond in de grote steden in Nederland. Project in samenwerking met: UvA.
Resultaten in 2006: 1 nationaal peer-reviewed paper, 1 nationaal paper, 2 nationale lezingen (selected), 2 publiekslezingen.
Medewerkers: V.A. de Rooij.

Plantennamen in de Nederlandse Dialecten (2000-2010) De PLAND biedt een inventarisatie van de volksnamen van planten in het Nederlandse taalgebied. Het materiaal omvat ± 250.000 records en is opgebouwd uit monografische, mondelinge en schriftelijk verzamelde data en gaat terug tot in de 19de eeuw. De toegang ertoe is op de website zowel taalkundig als botanisch. De PLAND presenteert de data per plant in de vorm een taalkaart (met de 11 meest frequente benamingen) en het materiaal in de vorm van een soort (dialect-)woordenboek met opgave van de bronnen, datering, lokalisatie plus illustraties en via een link de secundaire taalkundige literatuur. Daarnaast biedt de database de mogelijkheid taalkaarten op te roepen die laten zien voor welke planten bepaalde volksnamen gebruikt worden. De PLAND is aangesloten bij Netherlands Biodiversity Information Facility (NLBIF) en blijkt nu reeds in zijn soort de grootste collectie ter wereld. Deelproject van 'PLAND'.
Resultaten 2006: Op 16 februari is de website PLAND officieel in gebruik genomen. De database wordt echter doorlopend uitgebreid m.b.v. Dr. J. Kruijsen, Prof.Dr. J. van Keymeulen en anderen. Momenteel zijn de Flora-bestanden van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (WVD), het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten (WOD) en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD) in verregaande staat van bewerking.
Medewerkers: H.J.T.M. Brok (uitvoerder), J. Kruijsen (uitvoerder).

Taal en identiteit op de Waddeneilanden (2000-2006) Onderzoek naar de processen van dialectverlies en dialectbehoud op de Nederlandse Waddeneilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Het hoofdaccent ligt op het dialect van Ameland. Onderzocht wordt de kwaliteit van het dialect op Ameland, de invloed van het Nederlands en het Fries, attitudes van de Amelanders tegenover de omringende standaardtalen, en de manier waarop men zich actief inzet voor het dialect.
Resultaten in 2006: 1 lezing; 4 colleges.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (begeleider en promotor), M.M. Jansen (promovendus), M. van Oostendorp (begeleider).

The roots of ethnolects (2005-2009) Naast het Indisch Nederlands en het Surinaams Nederlands ontstaan er heden ten dage andere etnisch gekleurde variëteiten (oftewel etnolecten) van het Nederlands. In dit project gaat het erom de wortels van deze etnolecten bloot te leggen. Putten etnolecten uit de lokale stadsdialecten, of staan ze daar los van? Vinden we in een etnolect de sporen terug van de tweede-taalverwervingsprocessen van de eerste generatie? Komen er elementen uit de oorspronkelijke moedertaal van de etnische groep in voor, en zo ja, welke? Wat is het verband tussen het meer stabiele etnolect en de meer vluchtige jeugdtalen en straattalen? Verbreid het etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep ('crossing')? Hoe raakt een jongere ingevoerd in het etnolect? Om deze en verwante vragen te beantwoorden worden groepjes Marokkaanse en Turkse jongeren van 12 en 20 jaar opgenomen in Amsterdam en Nijmegen, in interactie met elkaar en met van oorsprong Nederlandse jongeren. Project in samenwerking met: Algemene Taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen.
Resultaten in 2006: organisatie en uitvoering deel veldwerk; bestudering vakliteratuur; lezing op een internationale conferentie.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (onderzoeksleider Variatielinguïstiek), A. van Wijngaarden (AiO).

Woordenboeken van de Vlaamse, Brabantse en Limburgse Dialecten (WVD, WBD, WLD) (1997-2010) Redactionele medewerking aan de Flora-afleveringen van de Woordenboeken van de Vlaamse, Brabantse en Limburgse Dialecten (WVD, WBD, WLD) van de Rijksuniversiteit Gent en de Radboud Universiteit Nijmegen.
Medewerkers: H.T.J.M. Brok (uitvoerder), T.J.W.M. Kruijsen (uitvoerder). 

Gezamenlijke projecten Etnologie en Variatielinguïstiek

Dialectrenaissance (2000-2010) Aan de hand van hedendaagse cultuuruitingen, zoals populaire muziek, cabaret, eredienst, etc, wordt onderzocht welke veranderingen de dialecten in Nederland ondergaan in het kader van de zogenoemde dialectrenaissance (sociolinguïstisch aspect). Tot de documentatie van dit onderzoek behoort onder meer een groeiende collectie dialect-cd's (momenteel circa 330).
Resultaten in 2006: L.P. Grijp schreef een artikel over dialectmuziek voor Gelderland 1900-2000, onder de titel 'Doe maar Normaal'.
Medewerkers: E. van der Grijn-Santen (coördinator dialectcd's), L.P. Grijp (coördinator/uitvoerder), M.M. Jansen (OiO), M. van Oostendorp (coördinator/uitvoerder).

Geslaagd! Amsterdam, 2008
© Irene Stengs

Fonologische variatie

Fonologische variatie van Nederlandse dialecten (2005-2010)

Het onderzoek strekt zich uit tot segmentele variatie binnen het Nederlandse taalgebied. De nadruk ligt enerzijds op de bijdrage die de studie van deze variatie kan leveren in het inzicht in segmentele representatie en anderzijds op een verruiming en verscherping van het concept ‘dialectafstand’.
Resultaten in 2008: 11 artikelen, 1 hoofdstuk in boek, 1 boek, 13 lezingen (wetenschappelijk), 1 lezing (niet-wetenschappelijk), 2 workshops, 1 congres, 1 symposium, 7 keer onderwijs (BA/MA/PhD), 3 scriptiebegeleidingen.
Medewerkers: B. Hermans (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder).

From dialect to regiolect: how this change is reflected in the production and perception of the speakers (2007-2010)

Listening to radio or television one notices the tendency for standard Dutch (ABN) to become more and more differentiated, i.e. regionally colored. Hoppenbrouwers (1990) showed the opposite tendency for dialects. Being influenced by standard Dutch and by each other they have become less differentiated and fused to larger wholes: regiolects (see also Hinskens (1993), Auer & Hinskens (1996), and Hinskens, Auer & Kerswill (2005)). While earlier scholars usually describe this change in terms of single linguistic phenomena, we plan to investigate this change using modern web-based and computational techniques to obtain an overall picture of this change. Our goal is to examine how the change from dialects to regiolects is reflected in the production and perception of the dialect speakers. The results of our research will give insight into the nature of language change and dialect levelling. The research is important for historical linguists since it gives information about the direction and rates of sound change. The research will be based on representative Dutch dialects of approximately 80 locations in the Netherlands and North Belgium. Perceptive distances are obtained on the basis of a web survey in which speakers listen to recordings. Computational distances are found on the basis of the transcriptions of the recordings. In the experiments two groups are distinguished: conservative dialect speakers (old males) and innovative dialect speakers (young females). We will test three hypotheses. First, perceptive distance measurements which are based on the recordings of innovative speakers will suggest larger areas than those which are based on the recordings of conservative speakers. Second, the change from dialect to regiolect affects the lexical level (‘kopstubber’ becomes ‘roagebol’) more strongly than the phonological (‘hoes’ becomes ‘huus’) and phonetic levels. Third, this change also affects the perception of the speakers, but perception lags behind production. Project in samenwerking met: RU Groningen, Universitaet Wien, Ohio State University, University of Edinburgh.
Resultaten in 2008: veldwerk 21 plaatsen, 2 keer een groepje van 2 sprekers, sprekers vertellen verhaal, vertalen tekst en lezen die voor, en beantwoorden diverse vragen. Het resultaat is een opname die in lengte kan varieren van een half uur tot ongeveer twee uur.
Medewerkers: W.J. Heeringa (Onderzoeker), F.L.M.P. Hinskens (Onderzoeker).

Segmentstructuur en -modificatie (2005-2010)

Onderzoek naar de interne structuur van fonologische segmenten in samenhang met natuurlijke klassen, met bijzondere aandacht voor complexe segmenten, aan de hand van de distributie van segmentmodificatie (secundaire articulatie, fonatie en (pre)nasalisering). Het onderzoek betreft de natuurlijke talen van de wereld, meer in het bijzonder de quotasteekproef (n=317) in Maddieson 1984.
Resultaten in 2008: er is verder gewerkt (aanpassingen, toevoegingen) aan de database.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder), J. van de Weijer (Universiteit Leiden).

Tone and intrasegmental structure in West-Germanic dialects (2005-2009)

The so-called ‘Franconian’ dialects of the borderland of Germany, the Netherlands, Belgium and Luxemburg share an interesting phonological feature: they have a lexical tone contrast, i.e. a word can mean different things depending on which of the two tones it contains. Many aspects of these dialects are not very well understood, particularly regarding the interaction between tone and segmental structure. The current proposal contains three closely related projects in which an attempt is made to solve the numerous problems of Franconian tonology and to integrate Franconian into the typology of tone languages. In these projects insights of modern phonology and phonetics are put to work and combined with the techniques of classical dialectology. Project in samenwerking met: Instituut voor Fonetische Wetenschappen, UvA.
Resultaten in 2008: 15 wetenschappelijke lezingen, 1 prijs.
Medewerkers: P. Boersma (Fonetisch Instituut UvA), B. Hermans (Senior Onderzoeker), W. Kehrein (Fonetisch Instituut UvA), B. Koehnlein (AiO), M. van Oostendorp (Senior Onderzoeker), M. Prehn (AiO).

Morfologische variatie

Morfologische Atlas van Nederlandse Dialecten (MAND) (1995-2008)

Doel van dit project is de productie van een atlas die de variatie van morfologische verschijnselen in de Nederlandse dialecten bestrijkt, op basis van veldwerkmateriaal (GTRP-data) voorzien van wetenschappelijk commentaar. Deel 1: meervoudsvorming, verkleinwoorden, genus en adjectiefflectie; deel 2: comparativering, pronomina en het werkwoord met stammen en uitgangen. Project in samenwerking met: Vrije Universiteit Amsterdam, Universiteit Antwerpen.
Resultaten in 2008: in 2008 is het tweede deel uitgekomen. Goeman, A.C.M., Oostendorp, M. van, Reenen, P. van, Koornwinder, O., Berg, B.L. van den & Van Reenen, A. (2008). Morfologische atlas van de Nederlandse dialecten. Deel II. Amsterdam: Amsterdam University Press. Dit tweede, en tevens laatste, deel bevat de volgende onderwerpen: de trappen van vergelijking van adjectieven (24 kaarten), de bezittelijke voornaamwoorden (ook zelfstandig; 19 kaarten), de persoonlijke voornaamwoorden (onderwerp; 10 kaarten), de persoonlijke voornaamwoorden (object; 12 kaarten), de uitgangen van de tegenwoordige en verleden tijd van het sterke en zwakke werkwoord (44 kaarten), het ge-prefix van het voltooid deelwoord (8 kaarten), en de stamvormen van sterke werkwoorden (16 kaarten). Elk hoofdstuk heeft een algemeen deel gevolgd door uitleg bij iedere kaart apart. Verder: literatuuronderzoek, data-analayse en cartografie.
Medewerkers: A.C.M. Goeman (projectleider), B.L. van den Berg (uitvoerder), N.O. Koornwinder (GridLine), P. van Reenen (VU) en A. Van Reenen-Jongkind.

Syntactische variatie

Agreementrelaties (2001-2010)

Het verschijnsel ‘agreement’ is een centraal thema in de theoretische taalkunde. Bekend is dat agreementrelaties, zoals congruentie tussen subject en persoonsvorm of tussen nomen en adjectief, een grote mate van variatie vertonen. Doel van dit project is inzicht te verkrijgen in de mate en de aard van variatie op dit terrein en de theoretische consequenties daarvan.
Resultaten in 2008: geen resultaten.
Medewerkers: H.J. Bennis.

De rechterperiferie van de zin (2005-2010)

Onderzoek naar extrapositie, meer in het bijzonder naar asymmetrieën in de distributie van syntactische categorieën aan de rechterkant van de zin, met name in het Nederlands, Engels en Duits.
Resultaten in 2008: twee artikelen.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers.

De syntaxis van etnisch Nederlands (2003-2008)

Onderzoek naar syntactische variatie in etnolecten, voorbouwend op TCULT-onderzoek.
Resultaten in 2008: 2 lezingen, 3 artikelen.
Medewerkers: L.M.E.A. Cornips.

Early successive bilingualism: Bilingual first language acquisition or child second language acquisition? (2008-2010)

Als gevolg van toenemende migratie worden veel kinderen vroeg in hun leven met een tweede taal geconfronteerd. Dit project, dat gecombineerd wordt met het VENI onderzoek van Unsworth (2008-2012), onderzoekt of het uitmaakt met welke leeftijd je begint met het leren van een tweede taal en hoeveel contact met de taal daarbij noodzakelijk is. Drie verschillende groepen van Engels/ Nederlands tweetaligen worden onderzocht, nl. (i) kinderen die vanaf geboorte twee talen leren, (ii) kinderen voor wie aanbod van de tweede taal niet vanaf de geboorte maar wel vóór het vierde jaar plaatsvindt en (iii) kinderen die pas nà het vijfde jaar beginnen met het leren van een tweede taal. Er wordt gekeken naar de verwerving van grammaticaal geslacht en van woordvolgorde. Project in samenwerking met: Universiteit van Amsterdam, University of Edinburgh, University of Thessaloniki.
Resultaten in 2008: begeleiding stagiaire Claasje Rijers, 2 lezingen en 3 artikelen.
Medewerkers: Dr. E. Argyri (University of Edingburgh), M. Brugman (Onderzoeksmedewerker), Dr. L. Cornips (Coördinator), Prof. A. Hulk (Coördinator, Universiteit van Amsterdam), L. van Meel (Onderzoeksmedewerker), L. Persson (Onderzoeksmedewerker), Prof. A. Sorace (University of Edingburgh), Prof. Dr. I. Tsimpli (University of Thessaloniki), Dr.S. Unsworth (Meertens Instituut/Universiteit Utrecht).

European Dialect Syntax (2005-2010)

(i) Documentatie en analyse van syntactische verdubbelingsverschijnselen in Europese dialecten (ii) Opbouwen van Europees netwerk van dialectsyntactici. Standaardiseren van methodologie, opslag en retrieval van syntactische data.
Resultaten in 2008: er is een boek verschenen: Barbiers, S., Koeneman, O.N.C.J., Lekakou, M. & Ham, M.H. van der (Eds.). (2008). Microvariation in Syntactic Doubling (Syntax and Semantics, 36). Bingley: Emerald. Verdere output: 1 hoofdstuk in boek, 4 artikelen, 16 lezingen en de organisatie van de workshop European Dialect Syntax III, Venice, september 2008. Initiëring nieuwe projecten: Syntax Hessicher Dialekte (Marburg, Frankfurt; aanvraag ingediend), Basque Dialect Syntax (Vitoria Gasteiz / Bayonne); aanvraag geaccepteerd), Syntactic Atlas of the British Isles (Newcastle); aanvraag ingediend), Syntactic Microvariation in the Romance Languages of France (Paris, Toulouse); aanvraag ingediend, Slovenian Dialect Syntax Corpus (Nova Gorica); aanvraag ingediend, afgewezen, Rumanian Dialect Syntax (exploratory meeting), Russian Dialect Syntax (exploratory meeting).Softwareontwikkeling: Script ‘praat2sql’ gemaakt en als open source ter beschikking gesteld om PRAAT-files naar een databasestructuur om te zetten (analoog aan SAND-database). Zie http://www.dialectsyntax.org/index.php/software-mainmenu-77, Google Sketchup plugin geschreven (in Ruby) voor visualisatie van dialectafstanden i.h.k.v. het artikel van De Vriend/Kunst/Ten Bosch, optie in SAND toegevoegd om kaartjes in Google Earth te tonen, nieuwe interface gemaakt voor kaartmodule (los van een specifieke database). Zie http://www.meertens.knaw.nl/kaart/, dialectsyntax.org website naar Joomla 1.5 gemigreerd, kaart met dialectgebieden Daan/Blok 1969 als optionele grondkaart aan kaartmodule toegevoegd, zichtbaar gemaakt in DynaSAND, de titels van de kaarten uit de SAND-atlas deel I als zoekingang (‘keywords’) aan de Edisyn zoekmachine toegevoegd. Ook zichtbaar gemaakt in de DynaSAND, gedeeltelijke ontsluiting van data van ASIS (Italiaanse dialecten) via keywords toegevoegd aan Edisyn zoekmachine (i.s.m. Franca Wesseling), Engelse glossen bij SAND-data zichtbaar gemaakt in Edisyn zoekmachine en DynaSAND (i.s.m. Franca Wesseling), zoeken op tags geïmplementeerd in Edisyn zoekmachine (i.s.m. Franca Wesseling). Stageproject Nelleke Strik (Paris XVIII): Wh-doubling and Partial Wh-movement in spoken Dutch.
Medewerkers: S. Barbiers (projectleider), E. Boef (medewerker onderzoek), M. van der Ham (onderzoeksmedewerker), O. Koeneman (postdoc), J.P. Kunst (softwareontwikkelaar), M. Lekakou (postdoc), F. Wesseling (medewerker onderzoek).

Sociolinguïstisch/Syntactisch onderzoek: Limburg (2000-2010)

Onderzoek gericht op syntactische variatie en verandering in de Limburgse dialecten en het Limburgse Nederlands; parameters en sociale distributie; comparatief onderzoek Romaans. Deelproject hiervan is syntactisch/sociolinguïstisch onderzoek naar grammaticale convergentie en divergentie in het Heerlens Nederlands en South Armagh Engels (Ierland) en de betreffende standaardtalen. Project in samenwerking met: University of Newcastle, UK.
Resultaten in 2008: 1 review.
Medewerkers: Prof. dr. K. Corrigan.

Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (2000-2008)

Verzamelen, in kaart brengen en analyseren van syntactische variatie in het Nederlandse taalgebied op basis van theoretische vraagstelling. Dataverzameling d.m.v. schriftelijke enquête (367 meetpunten) en mondelinge enquête (267meetpunten). Doel: database met spraakmateriaal, getranscribeerd en verrijkt met taalkundige informatie. Deze database is bestemd voor verder taalkundig onderzoek en voor het genereren van kaarten. Daarnaast tweedelige papieren atlas met inleiding en kaartbespreking. Internet: http://www.meertens.nl/projecten/sand/SAND.html.. Project in samenwerking met: Universiteit van Gent, Universiteit van Antwerpen, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden, Fryske Akademy.
Resultaten in 2008: syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten. Deel II / Syntactic Atlas of the Dutch Dialects Volume II. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Medewerkers: S. Barbiers (bijzonder onderzoeker), H. Bennis (directeur / onderzoeker syntaxis / hoogleraar), E. Boef (onderzoeksmedewerker), M. van der Ham (onderzoeksmedewerker), J.P. Kunst (software-ontwikkelaar).

Syntax of Modality (2001-2010)

Onderzoek naar de syntactische representatie van de semantische ambiguïteit van modale hulpwerkwoorden.
Resultaten in 2008: geen resultaten.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers.

Naamkunde

Achtergronden van moderne voornaamgeving (1999-2010)

Het onderzoek richt zich op achtergronden van moderne voornaamgeving, in het bijzonder taalkundige aspecten, motieven, met onder meer aandacht voor de rol van vernoeming naar idolen en naar familieleden, en sociale, etnische en geografische spreiding.
Resultaten in 2008: bewerking van het databestand dat verkregen is door een uitgebreide vragenlijst onder 1367 middelbare scholieren in de Bijlmer.
Medewerkers: D. Gerritzen.

DOC Namen (2006-2010)

Het DOC Namen (DOC staat voor Documentatie- en Onderzoeks Centrum) is een initiatief van het Meertens Instituut dat de naamkunde in het Nederlands taalgebied een basis geeft. Voor het DOC Namen geldt de status van DOC in oprichting. De komende jaren moet het uitgroeien tot een web-based expertisecentrum met een georganiseerde groep experts vanuit diverse instellingen. Het moet op het gebied van de naamkunde een erkende, centrale positie bekleden, zowel qua documentatie als qua onderzoek, en dus nationaal en internationaal bekend worden als hèt centrum waar onderzoekers, het publiek, de overheid, instellingen en de media terecht kunnen voor vragen op naamkundig terrein. Het DOC Namen zal bovendien eigen beleid op het gebied van documentatie, digitalisering, onderzoek en voorlichting ontwikkelen.
Resultaten in 2008: n.v.t.
Medewerkers: G. Bloothooft (Meertens), R. Boerrigter (Meertens), L. Brouwer (Meertens), D. Gerritzen (Meertens), H. Nijboer (Meertens).

Netwerk Naamkunde (2006-2010)

Het Netwerk Naamkunde is een platform waarop naamkundig actieven in Nederland en Vlaanderen hun krachten bundelen – geografisch verspreid, maar via internet en workshops verbonden. Het bestaat momenteel uit 77 leden uit Nederland en Vlaanderen. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze mensen is dat zij zich op een wetenschappelijke manier voor namen interesseren. De mate waarin en de context waarbinnen zij zich met naamkunde bezighouden, is zeer verschillend. Slechts een klein deel noemt zich naamkundige. Daarmee vormen Nederland en Vlaanderen internationaal gezien geen uitzondering, want ook elders zien we deze diversiteit. Het Netwerk Naamkunde wordt organisatorisch en technisch ondersteund door het DOC Namen. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit het in kaart brengen van de naamkundige activiteiten van de leden van het netwerk, het verzorgen van de informatievoorziening voor de leden van het Netwerk en het organiseren van symposia en workshops. Daarnaast wordt een naamkundige agenda verzorgd (overzicht van symposia, lezingen, congressen, nieuw te verschijnen publicaties en dergelijke) en het archief en secretariaat van het Netwerk Naamkunde gevoerd (onder andere het beheren van het centrale e-mailadres info@naamkunde.net Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken ). Tot slot vormt de technische ondersteuning van het Netwerk Naamkunde een belangrijke taak. Dit betreft onder meer elektronische faciliteiten ten behoeve van samenwerking en van gegevensuitwisseling, de toegankelijkheid van gegevensbestanden, en de website. Voor de leden is er een mailinglist voor discussie en kennisuitwisseling. Momenteel zijn 66 leden aangesloten op dit communicatiemiddel. De mailinglist voorziet duidelijk in een behoefte. Naast uitwisseling van kennis vinden er levendige discussies plaats. Door een aantal participanten wordt de mailinglist als een informatiebron bij het onderzoek gebruikt. Internet: <http://www.naamkunde.net>. Deelproject van ‘DOC Namen’.
Resultaten in 2008: twee workshops (‘Naamkunde en geografie’, Amsterdam 25 januari 2008, en ‘Familienamen’, Den Haag 7 oktober 2008); jaarverslag over 2007 (inventarisatie van de naamkundige activiteiten van de leden van het Netwerk Naamkunde).
Medewerkers: R. Boerrigter (Medewerker Onderzoek), D. Gerritzen (Senior Onderzoeker).

Overige projecten

Jongerentaal en straattaal (2003-2010)

Doel van het project is om straattaal zowel taalkundig als antropologisch in kaart te brengen, op basis van onderzoek naar de taalkundige diversiteit van jongeren met een verschillende etnische achtergrond in de grote steden in Nederland. Project in samenwerking met: UvA.
Resultaten in 2008: 1 geredigeerd tijdschrift.
Medewerkers: L.M.E.A. Cornips (begeleider / uitvoerder), V.A. de Rooij (UvA).

Meertensvragen in de Talenquiz (2007-2010)

Maandelijks levert het Meertens Instituut een vraag over taalvariatie aan de Talenquiz. De Talenquiz (Taalstudio/de Praktijk) laat leerlingen van de bovenbouw op een aansprekende manier kennismaken met de breedte van het taalwetenschappelijk vakgebied. Internet: <http://www.kennislink.nl/web/show?id=165128>. Project in samenwerking met: De Taalstudio.
Resultaten in 2008: 10 taalvragen in 2008 (m.u.v. de maanden juli en augustus).
Medewerkers: M. Jansen.

Taal en identiteit op de Waddeneilanden (2000-2010)

Onderzoek naar de processen van dialectverlies en dialectbehoud op de Nederlandse Waddeneilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Het hoofdaccent ligt op het dialect van Ameland. Onderzocht wordt de kwaliteit van het dialect op Ameland, de invloed van het Nederlands en het Fries, attitudes van de Amelanders tegenover de omringende standaardtalen, en de manier waarop men zich actief inzet voor het dialect. Internet: <http://www.meertens.nl/medewerkers/mathilde.jansen/>
Resultaten in 2008: conceptversie proefschrift afgerond.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (begeleider en promotor), M.M. Jansen (promovendus), M. van Oostendorp (begeleider en promotor).

The roots of ethnolects (2005-2010)

Naast het Indisch Nederlands en het Surinaams Nederlands ontstaan er heden ten dage andere etnisch gekleurde variëteiten (oftewel etnolecten) van het Nederlands. In dit project gaat het erom de wortels van deze etnolecten bloot te leggen. Putten etnolecten uit de lokale stadsdialecten, of staan ze daar los van? Vinden we in een etnolect de sporen terug van de tweede-taalverwervingsprocessen van de eerste generatie? Komen er elementen uit de oorspronkelijke moedertaal van de etnische groep in voor, en zo ja, welke? Wat is het verband tussen het meer stabiele etnolect en de meer vluchtige jeugdtalen en straattalen? Verbreid het etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep (‘crossing’)? Hoe raakt een jongere ingevoerd in het etnolect? Om deze en verwante vragen te beantwoorden worden groepjes Marokkaanse en Turkse jongeren van 12 en 20 jaar opgenomen in Amsterdam en Nijmegen, in interactie met elkaar en met van oorsprong Nederlandse jongeren. Project in samenwerking met: Algemene Taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen.
Resultaten in 2008: er zijn vier lezingen gehouden en er is gewerkt aan de database.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (onderzoeksleider Variatielinguïstiek), A. van Wijngaarden (AiO).

Fonologische variatie

Fonologische variatie van Nederlandse dialecten (2005-2010)

Het onderzoek strekt zich uit tot segmentele variatie binnen het Nederlandse taalgebied. De nadruk ligt enerzijds op de bijdrage die de studie van deze variatie kan leveren in het inzicht in segmentele representatie en anderzijds op een verruiming en verscherping van het concept ‘dialectafstand’.
Medewerkers: B. Hermans (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder).

Van dialect naar regiolect: hoe deze verandering weerspiegeld wordt in de productie en perceptie van de sprekers (2007-2011)

Jonge dialectsprekers klinken soms anders en gebruiken vaak andere woorden dan oude dialectsprekers. Daardoor versmelten dialectgebieden tot grotere regiolectgebieden. In dit VENI-project (NWO) wordt onderzocht of dialecten echt veranderen, en wat er vooral verandert. Ook wordt onderzocht of oude sprekers gedifferentieerder luisteren dan jonge sprekers.
Medewerkers: W.J. Heeringa (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (begeleider).

Segmentstructuur en -modificatie (2005-2010)

Onderzoek naar de interne structuur van fonologische segmenten in samenhang met natuurlijke klassen, met bijzondere aandacht voor complexe segmenten, aan de hand van de distributie van segmentmodificatie (secundaire articulatie, fonatie en (pre)nasalisering). Het onderzoek betreft de natuurlijke talen van de wereld, meer in het bijzonder de quotasteekproef (n=317) in Maddieson 1984.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder), J. van de Weijer (Universiteit Leiden).

Tone and intrasegmental structure in West-Germanic dialects (2005-2009)

The so-called ‘Franconian’ dialects of the borderland of Germany, the Netherlands, Belgium and Luxemburg share an interesting phonological feature: they have a lexical tone contrast, i.e. a word can mean different things depending on which of the two tones it contains. Many aspects of these dialects are not very well understood, particularly regarding the interaction between tone and segmental structure. The current proposal contains three closely related projects in which an attempt is made to solve the numerous problems of Franconian tonology and to integrate Franconian into the typology of tone languages. In these projects insights of modern phonology and phonetics are put to work and combined with the techniques of classical dialectology. Project in samenwerking met: Instituut voor Fonetische Wetenschappen, UvA. Resultaten in 2007: 1 recensie, 2 artikelen, 12 lezingen.
Medewerkers: Paul Boersma (Fonetisch Instituut UvA), Ivo van Ginneken (AiO), Ben Hermans (Senior Onderzoeker), Wolfgang Kehrein (Fonetisch Instituut UvA), Marc van Oostendorp (Senior Onderzoeker), Maike Prehn (AiO).

Morfologische variatie

Morfologische Atlas van Nederlandse Dialecten (MAND) (1995-2008)

Doel van dit project is de productie van een atlas die de variatie van morfologische verschijnselen in de Nederlandse dialecten bestrijkt, op basis van veldwerkmateriaal (GTP-data) voorzien van wetenschappelijk commentaar. Deel 1: meervoudsvorming, verkleinwoorden, genus en adjectiefflectie; deel 2: comparativering, pronomina en het werkwoord met stammen en uitgangen. Project in samenwerking met: VU, UFSIA.
Resultaten in 2007: databewerking en cartografie tbv deel 2.
Medewerkers: A.C.M. Goeman (projectleider), B.L. van den Berg (uitvoerder), N.O. Koornwinder (GridLine), P. van Reenen (VU).

Syntactische variatie

Agreementrelaties (2001-2010)

Het verschijnsel ‘agreement’ is een centraal thema in de theoretische taalkunde. Bekend is dat agreementrelaties, zoals congruentie tussen subject en persoonsvorm of tussen nomen en adjectief, een grote mate van variatie vertonen. Doel van dit project is inzicht te verkrijgen in de mate en de aard van variatie op dit terrein en de theoretische consequenties daarvan.
Resultaten in 2007: 3 artikelen, 2 lezingen.
Medewerkers: H.J. Bennis.

De rechterperiferie van de zin (2005-2010)

Onderzoek naar extrapositie, meer in het bijzonder naar asymmetrieën in de distributie van syntactische categorieën aan de rechterkant van de zin, met name in het Nederlands, Engels en Duits.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers.

De syntaxis van etnisch Nederlands (2003-2010)

Onderzoek naar syntactische variatie in etnolecten, voorbouwend op TCULT-onderzoek.
Resultaten 2007: 2 lezingen, 1 MA-scriptie
Medewerkers: L.M.E.A. Cornips.

Determinants of Dialectal Variation (2003-2007)

Promotieonderzoek gericht op het ontwikkelen van een syntactische maat, het toepassen van deze maat op de Nederlandse dialecten in de SAND-gegevensbank en het op kwantitatieve wijze verkennen van syntactische correlaties. Internet: http://dialectometry.net. Project in samenwerking met: Rijksuniversiteit Groningen (RuG).
Medewerkers: L.C.J. Barbiers (begeleider), H.J. Bennis (begeleider/promotor), J. Nerbonne (RUG), H. Niebaum (RUG), M. R. Spruit (promovendus).

European Dialect Syntax (2005-2010)

(i) Documentatie en analyse van syntactische verdubbelingsverschijnselen in Europese dialecten (ii) Opbouwen van Europees netwerk van dialectsyntactici. Standaardiseren van methodologie, opslag en retrieval van syntactische data.
Resultaten in 2007: 34 internationale lezingen, 7 internationale artikelen, 1 bundel (themanummer T&T), website, on-line manual (dialectsyntax.org), 2 empirische studies (vraagwoordverdubbeling en hulpwerkwoordverdubbeling; schriftelijke enquetes en web-enquete). Organisatie 4 internationale workshops (ICLAVE, Nicosia; Jahrestagung DGfS, Siegen; T&T Colloquium Gent; UKLVC 6, Lancaster). Uitbreiding Edisyn-netwerk naar: Armenië, Roemenië, Hongarije, Finland, Spanje, Cyprus, UK, Zuid-Afrika. Software-ontwikkeling: proefversie gedistribueerde zoekapplicatie, kaartmodule Google Earth, webenquete.
Medewerkers: Sjef Barbiers (projectleider), Margreet van der Ham (onderzoeksmedewerker), Olaf Koeneman (postdoc), Jan Pieter Kunst (softwareontwikkelaar), Marika Lekakou (postdoc).

Sociolinguïstisch/Syntactisch onderzoek: Limburg (2000-2010)

Onderzoek gericht op syntactische variatie en verandering in de Limburgse dialecten en het Limburgse Nederlands; parameters en sociale distributie; comparatief onderzoek Romaans. Deelproject hiervan is syntactisch/sociolinguïstisch onderzoek naar grammaticale convergentie en divergentie in het Heerlens Nederlands en South Armagh Engels (Ierland) en de betreffende standaardtalen. Project in samenwerking met: University of Newcastle, UK.
Resultaten in 2007: 5 lezingen
Medewerkers: Prof. dr. K. Corrigan.

Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (2000-2007)

Verzamelen, in kaart brengen en analyseren van syntactische variatie in het Nederlandse taalgebied op basis van theoretische vraagstelling. Dataverzameling d.m.v. schriftelijke enquête (367 meetpunten) en mondelinge enquête (267meetpunten). Doel: database met spraakmateriaal, getranscribeerd en verrijkt met taalkundige informatie. Deze database is bestemd voor verder taalkundig onderzoek en voor het genereren van kaarten. Daarnaast tweedelige papieren atlas met inleiding en kaartbespreking. Internet:http://www.meertens.nl/sand/zoeken. Project in samenwerking met: Universiteit van Gent, Universiteit van Antwerpen, Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden, Fryske Akademy.
Medewerkers: Johan van der Auwera (Universiteit van Antwerpen), Sjef Barbiers (bijzonder onderzoeker), Hans Bennis (directeur / onderzoeker syntaxis / hoogleraar), Magda Devos (Universiteit Gent), Margreet van der Ham (onderzoeksmedewerker), Jan Pieter Kunst (software-ontwikkelaar), Gunther de Vogelaer (Universiteit Gent).

Syntax of Modality (2001-2010)

Onderzoek naar de syntactische representatie van de semantische ambiguïteit van modale hulpwerkwoorden.
Medewerkers: L.C.J. Barbiers.

Tweede Taalverwerving (2005-2010)

Onderzoek naar verwerving van syntaxis van het Nederlands door twee en/of meertalige kinderen in de leeftijd vanaf 2;5 tot 12 jaar. In dit project wordt de eventuele structurele overeenkomsten en verschillen onderzocht tussen jonge kinderen die het Nederlands als eerste taal verwerven (monolinguale kinderen) en hen die het Nederlands als tweede taal verwerven (bilinguale kinderen). De kinderen zijn onder meer van Nederlandse, Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Franse herkomst. Samenwerking met prof.dr. A. Hulk, UvA. Project in samenwerking met: UvA.
Resultaten in 2007: 2 lezingen, gehonoreerde internationaal NWO- postdoc aanvraag Early Child Bilingualism
Medewerkers: L. Cornips (onderzoeker/onderzoekgroepsleider), A. Hulk (UvA).

Variation and standardisation: the influence of language contact on the emerging Dutch standard language (2004-2007)

De periode van ruwweg 1400-1650 is een buitengewoon interessante in de geschiedenis van de Nederlandse taal. In een vrij hoog tempo voltrekt zich een veranderingsproces dat verschillende facetten kent: 1. Het systeem van inflectie nomina en verba raakt in verval, wat veranderingen teweegbrengt in de zinsbouw. Hierover is voor deze overgangsfase weinig bekend. Het verval van het inflectiesysteem roept op zich al de vraag op waarom dit is gebeurd. 2. Het ontstaan van een standaardtaal. Standaardisering houdt in dat er in deze periode een variant van het Nederlands ontstaat die “boven” de dialecten staat, waarbij “boven” zowel geografisch als functioneel geïnterpreteerd wordt. Geografisch, omdat er een variant ontstaat die in het hele Nederlandse taalgebied gebruikt kon worden. Functioneel, omdat die variant ook gebruikt ging worden waar gedurende de Middeleeuwen het Latijn overheerste. Project in samenwerking met: Universiteit van Nijmegen.
Medewerkers: Adrienne Bruijn (CLS-Nijmegen), Griet Coupé (CLS-Nijmegen), Ans van Kemenade (CLS-Nijmegen), Gertjan Postma (senior onderzoeker), Anne Ribbert (CLS-Nijmegen).

Variation in Inflection (2003-2007)

Onderzoeksprogramma (NWO) gericht op onderzoek naar de variatie die kan worden aangetroffen bij verbale en adjectivale flectie. Verschillende dimensies worden bestudeerd: geografisch, historisch, 1e taalverwerving, 2e taalverwerving. Deelproject van ‘Agreementrelaties’, in samenwerking met: Nederlandse Taalkunde UvA.
Resultaten in 2007: 1 artikel, 5 lezingen.
Medewerkers: H.J. Bennis (projectleider Meertens Instituut / UvA), F. Weerman (projectleider UvA, Neerlandistiek), E. Blom (UvA, Neerlandistiek), A. Maclean (AiO), D. Polisenka (UvA, Neerlandistiek).

Naamkunde

Achtergronden van moderne voornaamgeving (1999-2010)

Het onderzoek richt zich op achtergronden van moderne voornaamgeving, in het bijzonder taalkundige aspecten, motieven, met onder meer aandacht voor de rol van vernoeming naar idolen en naar familieleden, en sociale, etnische en geografische spreiding.
Resultaten in 2007: 1 artikel: Gerritzen, D. (2007) ‘First names of Moroccan and Turkish immigrants in the Netherlands.’ In: Eva Brylla & Mats Wahlberg [red.] Proceedings of the International Congress of Onomastic Sciences 21, Uppsala August 2002. SOFI (Språk- och folkminnesinstitutet, Institute for Dialectology, Onomastics and Folklore Research), Uppsala, pp. 120-130.
Medewerkers: D. Gerritzen.

DOC Namen (2006-2010)

Het DOC Namen (DOC staat voor Documentatie- en Onderzoeks Centrum) is een initiatief van het Meertens Instituut dat de naamkunde in het Nederlands taalgebied een basis geeft. Voor het DOC Namen geldt de status van DOC in oprichting. De komende jaren moet het uitgroeien tot een web-based expertisecentrum met een georganiseerde groep experts vanuit diverse instellingen. Het moet op het gebied van de naamkunde een erkende, centrale positie bekleden, zowel qua documentatie als qua onderzoek, en dus nationaal en internationaal bekend worden als hèt centrum waar onderzoekers, het publiek, de overheid, instellingen en de media terecht kunnen voor vragen op naamkundig terrein. Het DOC Namen zal bovendien eigen beleid op het gebied van documentatie, digitalisering, onderzoek en voorlichting ontwikkelen.
Resultaten in 2007: het eerste jaar van het DOC Namen heeft vooral in het teken gestaan van de verbetering van de communicatiemogelijkheden tussen naamkundigen in Nederland en Vlaanderen. Hiertoe is het Netwerk Naamkunde opgericht. De organisatie van workshops, de ontwikkeling van een website (www.naamkunde.net ) en het aanbieden van een digitaal discussieplatform voorziet in een grote behoefte aan communicatie en uitwisseling van kennis bij naamkundigen. De basis is daarmee gelegd voor de ontwikkeling van nauwere samenwerkingsverbanden en een snellere kennisoverdracht.
Medewerkers: Reina Boerrigter (Meertens), Leendert Brouwer (Meertens), Doreen Gerritzen (Meertens), Harm Nijboer (Meertens).

Netwerk Naamkunde (2006-2010)

Het Netwerk Naamkunde is een platform waarop naamkundig actieven in Nederland en Vlaanderen hun krachten bundelen – geografisch verspreid, maar via internet en workshops verbonden. Het bestaat momenteel uit 77 leden uit Nederland en Vlaanderen. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze mensen is dat zij zich op een wetenschappelijke manier voor namen interesseren. De mate waarin en de context waarbinnen zij zich met naamkunde bezighouden, is zeer verschillend. Slechts een klein deel noemt zich naamkundige. Daarmee vormen Nederland en Vlaanderen internationaal gezien geen uitzondering, want ook elders zien we deze diversiteit. Het Netwerk Naamkunde wordt organisatorisch en technisch ondersteund door het DOC Namen. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit het in kaart brengen van de naamkundige activiteiten van de leden van het netwerk, het verzorgen van de informatievoorziening voor de leden van het Netwerk en het organiseren van symposia en workshops. Daarnaast wordt een naamkundige agenda verzorgd (overzicht van symposia, lezingen, congressen, nieuw te verschijnen publicaties en dergelijke) en het archief en secretariaat van het Netwerk Naamkunde gevoerd (onder andere het beheren van het centrale e-mailadres info@naamkunde.net). Tot slot vormt de technische ondersteuning van het Netwerk Naamkunde een belangrijke taak. Dit betreft onder meer elektronische faciliteiten ten behoeve van samenwerking en van gegevensuitwisseling, de toegankelijkheid van gegevensbestanden, en de website. Voor de leden is er een mailinglist voor discussie en kennisuitwisseling. Momenteel zijn 66 leden aangesloten op dit communicatiemiddel. De mailinglist voorziet duidelijk in een behoefte. Naast uitwisseling van kennis vinden er levendige discussies plaats. Door een aantal participanten wordt de mailinglist als een informatiebron bij het onderzoek gebruikt. Internet: http://www.naamkunde.net. Deelproject van ‘DOC Namen’.
Resultaten in 2007: derde Workshop Netwerk Naamkunde, workshop georganiseerd door R. Boerrigter & D. Gerritzen, te Antwerpen, 29-06-2007; jaarverslag over 2006 door R. Boerrigter; uitbreiding en onderhoud van Naamkunde.net door H. Nijboer & R. Boerrigter.
Medewerkers: R. Boerrigter en D. Gerritzen

Voornamen in Nederland (2002-2010)

Analyse en beschrijving van de voornamen in Nederland. Project in samenwerking met: Utrechts Onderzoeksinstituut voor Linguistiek – OTS.
Resultaten in 2007: toegankelijk maken van de GBA-data door Jan Pieter Kunst. Overleg met BPR en BZ.
Medewerkers: G. Bloothooft (projectleider Uil/OTS, UU), D. Gerritzen (uitvoerder), E. van Nifterick (uitvoerder).

Overige projecten

Dialecticiteit in Nederland (1997-2010)

In samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt met een interval van vijf jaar grootschalig onderzoek uitgevoerd onder een representatieve steekproef van 5000 respondenten naar de mate van dialectgebruik. Doel is om een indruk te krijgen wie in Nederland dialect spreekt. Effecten van regio (mate van stedelijkheid), leeftijd, sociaal-economische status en geslacht worden in kaart gebracht. Project in samenwerking met: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Medewerkers: W. Jongenburger.

Jongerentaal en straattaal (2003-2010)

Doel van het project is om straattaal zowel taalkundig als antropologisch in kaart te brengen, op basis van onderzoek naar de taalkundige diversiteit van jongeren met een verschillende etnische achtergrond in de grote steden in Nederland. Project in samenwerking met: UvA.
Medewerkers: V.A. de Rooij.

Plantennamen in de Nederlandse Dialecten (2000-2010)

De PLAND biedt een inventarisatie van de volksnamen van planten in het Nederlandse taalgebied. Het materiaal omvat ± 250.000 records en is opgebouwd uit monografische, mondelinge en schriftelijk verzamelde data en gaat terug tot in de 19de eeuw. De toegang ertoe is op de website zowel taalkundig als botanisch. De PLAND presenteert de data per plant in de vorm een taalkaart (met de 11 meest frequente benamingen) en het materiaal in de vorm van een soort (dialect-)woordenboek met opgave van de bronnen, datering, lokalisatie plus illustraties en via een link de secundaire taalkundige literatuur. Daarnaast biedt de database de mogelijkheid taalkaarten op te roepen die laten zien voor welke planten bepaalde volksnamen gebruikt worden. Op 16-02-2006 is de website PLAND officieel in gebruik genomen. De database wordt echter doorlopend uitgebreid mmv Dr. J. Kruijsen, Prof.Dr. J. van Keymeulen en anderen. Momenteel zijn de Flora-bestanden van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (WVD), het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten (WOD) en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD) in verregaande staat van bewerking. De PLAND is aangesloten bij Netherlands Biodiversity Information Facility (NLBIF) en blijkt nu reeds in zijn soort de grootste collectie ter wereld. Internet: http://www.meertens.knaw.nl/pland. Deelproject van ‘PLAND’.
Medewerkers: H.J.T.M. Brok (uitvoerder), J. Kruijsen (uitvoerder).

Taal en identiteit op de Waddeneilanden (2000-2008)

Onderzoek naar de processen van dialectverlies en dialectbehoud op de Nederlandse Waddeneilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Het hoofdaccent ligt op het dialect van Ameland. Onderzocht wordt de kwaliteit van het dialect op Ameland, de invloed van het Nederlands en het Fries, attitudes van de Amelanders tegenover de omringende standaardtalen, en de manier waarop men zich actief inzet voor het dialect. Internet: http://www.mathildejansen.nl.

The roots of ethnolects (2005-2009)

Naast het Indisch Nederlands en het Surinaams Nederlands ontstaan er heden ten dage andere etnisch gekleurde variëteiten (oftewel etnolecten) van het Nederlands. In dit project gaat het erom de wortels van deze etnolecten bloot te leggen. Putten etnolecten uit de lokale stadsdialecten, of staan ze daar los van? Vinden we in een etnolect de sporen terug van de tweede-taalverwervingsprocessen van de eerste generatie? Komen er elementen uit de oorspronkelijke moedertaal van de etnische groep in voor, en zo ja, welke? Wat is het verband tussen het meer stabiele etnolect en de meer vluchtige jeugdtalen en straattalen? Verbreid het etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep (‘crossing’)? Hoe raakt een jongere ingevoerd in het etnolect? Om deze en verwante vragen te beantwoorden worden groepjes Marokkaanse en Turkse jongeren van 12 en 20 jaar opgenomen in Amsterdam en Nijmegen, in interactie met elkaar en met van oorsprong Nederlandse jongeren. Klik hier voor meer informatie. Project in samenwerking met: Algemene Taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (onderzoeksleider Variatielinguïstiek), A. van Wijngaarden (AiO).

Woordenboeken van de Vlaamse, Brabantse en Limburgse Dialecten (WVD, WBD, WLD) (1997-2010)

Redactionele medewerking aan de Flora-afleveringen van de Woordenboeken van de Vlaamse, Brabantse en Limburgse Dialecten (WVD, WBD, WLD) van de Rijksuniversiteit Gent en de Radboud Universiteit Nijmegen.

Fonologische variatie

Fonologische variatie van Nederlandse dialecten (2005-2010)

Het onderzoek strekt zich uit tot segmentele variatie binnen het Nederlandse taalgebied. De nadruk ligt enerzijds op de bijdrage die de studie van deze variatie kan leveren in het inzicht in segmentele representatie en anderzijds op een verruiming en verscherping van het concept ‘dialectafstand’.
Resultaten in 2010: B. Hermans: 1 publicatie in wetenschappelijk tijdschrift (reviewed), 2 hoofstukken in bundel (reviewed), 1 lezing als keynote spreker, 6 overige lezingen, 1 review in tijdschrift, onderwijs. M. van Oostendorp: 1 publicatie in wetenschappelijk tijdschrift, 2 lezingen als keynote speaker, 1 overige lezing. F. Hinskens: 2 hoofstukken in bundel (reviewed), 1 boekredactie, 1 lezing als keynote spreker, 1 promotiebegeleiding, onderwijs.
Medewerkers: B. Hermans (uitvoerder), F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder).

From dialect to regiolect: how this change is reflected in the production and perception of the speakers (2007-2011)

Listening to radio or television one notices the tendency for standard Dutch (ABN) to become more and more differentiated, i.e. regionally colored. Hoppenbrouwers (1990) showed the opposite tendency for dialects. Being influenced by standard Dutch and by each other they have become less differentiated and fused to larger wholes: regiolects (see also Hinskens (1993), Auer & Hinskens (1996), and Hinskens, Auer & Kerswill (2005)). While earlier scholars usually describe this change in terms of single linguistic phenomena, we plan to investigate this change using modern web-based and computational techniques to obtain an overall picture of this change. Our goal is to examine how the change from dialects to regiolects is reflected in the production and perception of the dialect speakers. The results of our research will give insight into the nature of language change and dialect levelling. The research is important for historical linguists since it gives information about the direction and rates of sound change. The research will be based on representative Dutch dialects of approximately 80 locations in the Netherlands and North Belgium. Perceptive distances are obtained on the basis of a web survey in which speakers listen to recordings. Computational distances are found on the basis of the transcriptions of the recordings. In the experiments two groups are distinguished: conservative dialect speakers (old males) and innovative dialect speakers (young females). We will test three hypotheses. First, perceptive distance measurements which are based on the recordings of innovative speakers will suggest larger areas than those which are based on the recordings of conservative speakers. Second, the change from dialect to regiolect affects the lexical level (‘kopstubber’ becomes ‘roagebol’) more strongly than the phonological (‘hoes’ becomes ‘huus’) and phonetic levels. Third, this change also affects the perception of the speakers, but perception lags behind production. Internet: http://www.let.rug.nl/~heeringa/dialectology/project. Project in samenwerking met: Rijksuniversiteit Groningen, Universitaet Wien, Ohio State University, Forschungszentrum Deutscher Sprachatlas Marburg.
Resultaten in 2010: 6 artikelen en 4 lezingen. Veldwerk in 32 plaatsen, 2 keer een groepje van 2 sprekers, De prekers vertellen een verhaal, vertalen tekst en lezen die voor en beantwoorden diverse vragen. Het resultaat is een opname die in lengte kan varieren van een half uur tot ongeveer twee uur.
Medewerkers: W.J. Heeringa (onderzoeker), F.L.M.P. Hinskens (begeleider).

Segmentstructuur en -modificatie (2005-2010)

Onderzoek naar de interne structuur van fonologische segmenten in samenhang met natuurlijke klassen, met bijzondere aandacht voor complexe segmenten, aan de hand van de distributie van segmentmodificatie (secundaire articulatie, fonatie en (pre)nasalisering). Het onderzoek betreft de natuurlijke talen van de wereld, meer in het bijzonder de quotasteekproef (n=317) in Maddieson 1984.
Resultaten in 2010: de uitbreiding en verfijning van de database.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (uitvoerder), M. van Oostendorp (uitvoerder), J. van de Weijer (Universiteit Leiden).

Syntactische variatie

Agreementrelaties (2001-…)

Het verschijnsel ‘agreement’ is een centraal thema in de theoretische taalkunde. Bekend is dat agreementrelaties, zoals congruentie tussen subject en persoonsvorm of tussen nomen en adjectief, een grote mate van variatie vertonen. Doel van dit project is inzicht te verkrijgen in de mate en de aard van variatie op dit terrein en de theoretische consequenties daarvan.
Resultaten in 2010: 1 hoofdstuk in boek (reviewed), 4 lezingen als keynote spreker, 2 overige lezingen, onderwijs en 1 artikel in een niet-wetenschappelijk tijdschrift.
Medewerker: H.J. Bennis (projectleider/uitvoerder).

Dynamics of Syntactic Change (2009-…)

In this project the quantitative analysis of language change (as it occurs in the E-language) is related to changes in grammar internal changes (I language). Quantitative models are formulated and tested to diachronic corpora.
Resultaten in 2010: 2 lezingen, 1 hoofdstuk in boek (reviewed) en 1 artikel in een tijdschrift (reviewed).
Medewerker: G. Postma (uitvoerder).
 

Early successive bilingualism: Bilingual first language acquisition or child second language acquisition? (2008-2010)

Als gevolg van toenemende migratie worden veel kinderen vroeg in hun leven met een tweede taal geconfronteerd. Dit project, dat gecombineerd wordt met het VENI onderzoek van S. Unsworth (2008-2012), onderzoekt of het uitmaakt met welke leeftijd je begint met het leren van een tweede taal en hoeveel contact met de taal daarbij noodzakelijk is. Drie verschillende groepen van Engels/ Nederlands tweetaligen worden onderzocht, nl. (i) kinderen die vanaf geboorte twee talen leren, (ii) kinderen voor wie aanbod van de tweede taal niet vanaf de geboorte maar wel vóór het vierde jaar plaatsvindt en (iii) kinderen die pas nà het vijfde jaar beginnen met het leren van een tweede taal. Er wordt gekeken naar de verwerving van grammaticaal geslacht en van woordvolgorde. Project in samenwerking met: Universiteit van Amsterdam, University of Edinburgh en University of Thessaloniki.
Resultaten in 2010: 1 hoofdstuk in proceedings (A. Hulk en L. Cornips), 5 lezingen en op 30 november 2010 is er een colloquium georganiseerd op het Meertens Instituut: Early Child Bilingualism: Bilingual first language acquisition or child second language acquisition. Concluding colloquium International NWO “Language acquisition and Multilingualism”.
Medewerkers: E. Argyri (University of Edingburgh), M. Brugman (Onderzoeksmedewerker), L. Cornips (Coördinator),  A. Hulk (Coördinator, Universiteit van Amsterdam), L. van Meel (Onderzoeksmedewerker), L. Persson (Onderzoeksmedewerker),  A. Sorace (University of Edingburgh), I. Tsimpli (University of Thessaloniki), S. Unsworth (Meertens Instituut/Universiteit Utrecht).
 

European Dialect Syntax (2005-2012)

Het project bestaat uit twee onderdelen. (i) Documentatie en analyse van syntactische verdubbelingsverschijnselen in Europese dialecten (ii) Opbouwen van Europees netwerk van dialectsyntactici. Standaardiseren van methodologie, opslag en retrieval van syntactische data.
Resultaten in 2010: 9 publicaties, 20 internationale lezingen, betaversie Edisyn Search Engine met 6 dialectsyntactische databases, 1 workshop en 1 PhD cursus.
Medewerkers: S. Barbiers (projectleider), E. Boef (medewerker onderzoek), J. P. Kunst (softwareontwikkelaar), M. Lekakou (postdoc), F. Wesseling (medewerker onderzoek).

Sociolinguïstisch/Syntactisch onderzoek: Limburg (2000-…)

Onderzoek gericht op syntactische variatie en verandering in de Limburgse dialecten en het Limburgse Nederlands; parameters en sociale distributie.
Resultaten in 2010: 1 nationale lezing, 1 internationale plenary lezing en een PhD cursus.
Medewerker: L.Cornips (onderzoeker).
 

Naamkunde

LINKing System for historical family reconstruction (2009-2013)

LINKS aims at reconstructing all nineteenth and early twentieth century families in the Netherlands. This reconstruction will be based on GENLIAS, which is a digitized index of all civil certificates from this period. For fifteen years numerous volunteers have been working to build the index, which contains not only the names of born, deceased and married persons, but also the names of their parents, places of birth, ages and partly their occupational titles. The availability of this dataset offers an enormous potential for scientific research provided that individuals are linked into families. This is not only of the utmost importance for historical demography and social and economic history but also for onomastics, epidemiology, anthropology, historical sociology and genetics. As a consequence of the high degree of fuzziness of the spelling of both first and last names (because of errors, mistaken statements and inconsistencies during registration, regional deviations, indexation, etc.), and inconsistencies between archives in local data storage, linking is a complicated task. Project in samenwerking met: IISG.
Resultaten in 2010: het project is in november 2009 goed op gang gekomen met aanstelling van een AiO en en wetenschappelijk programmeur. Inmiddels is het functioneel ontwerp gereed, en zijn procedures in ontwikkeling om gegevens uit 13 miljoen akten uit Genlias (geboorte-, huwelijks-, overlijdensakten uit de oud burgerlijke stand) daarin op te nemen.
Medewerkers: G. Bloothooft (onderzoeker / mede-projectleider Meertens Instituut / UiL-OTS UU), K. Mandenmakers (onderzoeker / projectleider IISG).
 

Overige projecten

Jongerentaal en straattaal (2003-…)

Doel van het project is om straattaal zowel taalkundig als antropologisch in kaart te brengen, op basis van onderzoek naar de taalkundige diversiteit van jongeren met een verschillende etnische achtergrond in de grote steden in Nederland. Project in samenwerking met: UvA.
Resultaten in 2010: 1 gastcollege Straattaal aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en 1 artikel in een niet-wetenschappelijk tijdschrift.
Medewerkers: L. Cornips (begeleider / uitvoerder), V.A. de Rooij (UvA).
 

Meertensvragen in de Talenquiz (2007-…)

Maandelijks levert het Meertens Instituut een vraag over taalvariatie aan de Talenquiz. De Talenquiz (Taalstudio/de Praktijk) laat leerlingen van de bovenbouw op een aansprekende manier kennismaken met de breedte van het taalwetenschappelijk vakgebied. Project in samenwerking met: De Taalstudio.
Resultaten in 2010: 10 taalvragen in 2010 (m.u.v. de maanden juli en augustus).
Medewerker: M.M. Jansen (webredacteur).
 

Populair-wetenschappelijke dialectatlas (2008-2010)

Populair-wetenschappelijke atlas met dialectkaarten en teksten, onder redactie van N. van der Sijs. Boek is onderverdeeld in 6 hoofdstukken: 1. geschiedenis; 2. woorden; 3. klanken; 4. woordvormen; 5. zinnen; 6. namen.
Resultaten in 2010: 131 kaarten in pre-finale fase (finale fase ligt bij vormgever), waarvan 50+ als co-auteur (van de kaart).
Medewerkers: B.L. van den Berg (medewerker), M.M. Jansen (auteur), M. van Oostendorp (auteur).
 

Taal en identiteit op de Waddeneilanden (2000-…)

Onderzoek naar de processen van dialectverlies en dialectbehoud op de Nederlandse Waddeneilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Het hoofdaccent ligt op het dialect van Ameland. Onderzocht wordt de kwaliteit van het dialect op Ameland, de invloed van het Nederlands en het Fries, attitudes van de Amelanders tegenover de omringende standaardtalen, en de manier waarop men zich actief inzet voor het dialect. Internet: www.meertens.knaw.nl/cms/nl/medewerkers/142468-mathildej.
Resultaten in 2010: promotie van M.M. Jansen op 8 april 2010, 1 wetenschappelijke lezing, 2 populair-wetenschappelijke lezingen, 1 college.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (begeleider en promotor), M.M. Jansen (promovendus), M. van Oostendorp (begeleider en promotor).

The roots of ethnolects (2005-2010)

Naast het Indisch Nederlands en het Surinaams Nederlands ontstaan er heden ten dage andere etnisch gekleurde variëteiten (oftewel etnolecten) van het Nederlands. In dit project gaat het erom de wortels van deze etnolecten bloot te leggen. Putten etnolecten uit de lokale stadsdialecten, of staan ze daar los van? Vinden we in een etnolect de sporen terug van de tweede-taalverwervingsprocessen van de eerste generatie? Komen er elementen uit de oorspronkelijke moedertaal van de etnische groep in voor, en zo ja, welke? Wat is het verband tussen het meer stabiele etnolect en de meer vluchtige jeugdtalen en straattalen? Verbreid het etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep (‘crossing’)? Hoe raakt een jongere ingevoerd in het etnolect? Om deze en verwante vragen te beantwoorden worden groepjes Marokkaanse en Turkse jongeren van 12 en 20 jaar opgenomen in Amsterdam en Nijmegen, in interactie met elkaar en met van oorsprong Nederlandse jongeren. Project in samenwerking met: Algemene Taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen.
Resultaten in 2010: F.L.M.P. Hinskens: 1 lezing als keynote spreker, onderwijs (BA cursus aan de Vrije Universiteit en Universiteit van Amsterdam: Inleiding taalvariatie – Haagse Harrie, Mehmet Pamuk en hun kornuiten en een PhD cursus aan de Universiteit Hamburg, Duitsland: Ethnolects: Backgrounds, settings, design and significance) en 1 artikel in niet-wetenschappelijk tijdschrift. A. van Wijngaarden: gastlezing in BA cursus aan de Vrije Universiteit en Universiteit van Amsterdam: Inleiding taalvariatie – Haagse Harrie, Mehmet Pamuk en hun kornuiten en 1 niet-wetenschappelijke lezing.
Medewerkers: F.L.M.P. Hinskens (onderzoeksleider Variatielinguïstiek), A. van Wijngaarden (AiO).
 

Variation and spelling in older Dutch texts (2010-2011)

In this project we intend to develop a digital tool that automatically detects linguistically significant variation in older texts – until the 19th century – and that produces a separate, intermediate level of transcription in the database, in between the original and the translation. This tool should be available on line and in open access. In this way people interested in language or history may exploit this tool in order to enrich their data. Eventually, the tool will be part of the international, language-oriented infrastructre that is presently being develop in a European context (CLARIN).
Resultaten in 2010: project opgezet.
Medewerkers: B. Hermans (fonoloog), G. Postma (morfosyntacticus), M. Rem (Radboud Universiteit).

In 2008 is besloten de structuur van de commissie te wijzigen: er komt een kleinere nationale commissie bestaande uit vier externe leden (twee uit de taal hoek en twee uit de etnologie hoek) en een internationale commissie die bestaat uit de nationale commissie aangevuld met een aantal internationale experts (waarbij tenminste een etnoloog en een taalkundige afkomstig zijn uit Vlaanderen).

Een drietal leden had in 2008 de maximale dubbele termijn (2 x 5 jaar) er op zitten: Jan Vaessen (voorzitter), Pieter Muysken en Johan Taeldeman zijn afgetreden. Nieuw aangetreden leden zijn Roeland van Hout (RUNijmegen) en John Nerbonne (RUNijmegen). Hiermee is de samenstelling van de nationale commissie als volgt:

  • Henk Driessen (voorzitter)
  • Heidi Dahles
  • Roeland van Hout
  • John Nerbonne

De internationale commissie bestaat uit Mark Jacobs, die versterking krijgt van drie nieuwe leden.

De wetenschapscommissie is in het verslagjaar eenmaal bijeen geweest, op 22 september. Er is uitvoerig overleg geweest over de door de KNAW aangekondigde bezuinigingen, eventuele clustering van KNAW-instituten, de relatie van het instituut met het NCV en de Unesco, en de ontwikkelingen op het terrein van digitalisering, documentatie en ICT (computational humanities).