skip to main content

Onderzoeksprojecten

Taal en cultuur in het dagelijks leven in Nederland

Het Meertens Instituut bestudeert en documenteert taal en cultuur in Nederland en Nederlandse taal en cultuur in de wereld. Centraal staan de verschijnselen die het alledaagse leven in onze samenleving vormgeven. Taal en cultuur worden in het huidige politieke klimaat gezien als de dragers bij uitstek van collectieve identiteit. Het Meertens Instituut, dat de ‘casus Nederland’ onderzoekt vanuit een vergelijkend en internationaal perspectief, wil zo tegelijk bijdragen aan het maatschappelijke debat door de rol van taal en cultuur in maatschappelijke processen te duiden en te nuanceren. Dit onderzoeksplan vat de onderzoeksambities samen van het Meertens Instituut voor de jaren 2018-2023. Ook verscheen een update op het onderzoeksplan 2020-2023 (Engelstalig).

Binnen Nederlab wordt een grootschalig onderzoekscorpus ontwikkeld voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Nederlab biedt aan onderzoekers de mogelijkheid alle gedigitaliseerde teksten die relevant zijn voor de geschiedenis van de Nederlandse taal en cultuur tegelijkertijd te doorzoeken en te analyseren: van de oudste geschreven periode (circa 800) tot heden. 

Hierdoor kunnen geesteswetenschappers nieuwe onderzoeksvragen formuleren en systematisch onderzoek doen naar verandering in cultuur, maatschappij, literatuur en taal.

Onderzoeker: Nicoline van der Sijs

Variabele en invariabele eigenschappen van het Nederlands

Dit subproject onderzoekt a) de inzet van taal (dialect, regiolect, Nederlands) en cultuur (ritueel, feesten, gebaren) in de constructie van lokale identiteit in Nederland; b) de contexten waarin lokale identiteit wordt beleefd en uitgedragen; en c) de betrokken actoren en hun publiek. 

Hierbij onderzoeken we de betekenis die aan talige en culturele praktijken wordt toegekend. Een belangrijk theoretisch uitgangspunt is dat ‘de plaats’, ‘de regio’ of ‘de streek’ geen geografisch afgebakende gebieden zijn met vastomlijnde culturele, linguïstische en historische eigenschappen, maar tijdsgebonden dynamische producten van collectief handelen en sociale verbeelding. Het onderzoek zal daarom niet alleen zijn gericht op de discursieve aspecten van de uitdrukking en vormgeving van lokale identiteiten, maar evenzeer op de praxis waarbinnen deze identiteiten (in de zin van performance) vorm krijgen en worden beleefd.

Onderzoekers: Leonie Cornips, Irene Stengs

Taalcultuur

Een intrigerend voorbeeld van culturele verandering (en stabiliteit) is het ontstaan van culturele canons. Canons van bijvoorbeeld literatuur (wat zijn de 'invloedrijkste' romans), filosofie (wat zijn de 'grootste' denkers?), volksverhalen (wat zijn de 'populairste' sprookjes?), of geschiedenis (wat zijn de 'belangrijkste' gebeurtenissen?) worden verondersteld als referentiekader van een gedeelde cultuur. 

Het ontstaan van canons wordt doorgaans opgevat als een proces geleid door twee interagerende factoren: (1) acclamatie van de culturele elite (uitgevers, vertalers, critici), en (2) wijdverspreide populariteit in een gemeenschap. Over de precieze werking alsook de interactie van deze factoren bestaan echter nog veel vragen.[1]

Met behulp van computationele modellen van culturele verandering probeert het liedonderzoek van het Meertens Instituut een concreter en exacter beeld te krijgen van de dynamieken en mechanismen die aan de basis liggen van canonvorming in lied en muziek. Onderzoek naar (het ontstaan van) canons is van belang voor een beter en fundamenteler inzicht in kwesties als gedeelde normen en waarden, regionale eigenheid en nationale identiteit, en brengt verschillende wetenschappelijke disciplines (zoals musicologie, etnologie, geschiedenis, literatuurwetenschap) samen. Ook hier is een verbindende rol weggelegd voor computationele modellen van culturele verandering waarmee (door noodzakelijke abstractie en simplificatie) de algemene en fundamentele principes van canonvorming in kaart gebracht kunnen worden.

Daarnaast wordt via kwalitatieve methodes etnografisch onderzoek gedaan naar canonvorming, en wel specifiek op het gebied van de kerkliedtradities. In de loop der eeuwen heeft met name de protestantse kerk zich opgesplitst in verschillende denominaties. Bij elke ‘bloedgroep’ hoorde een eigen canon aan gezangen en een specifieke wijze van zingen, die bepalend zijn geworden voor de eigen identiteit. De diverse tradities botsen nog tot op de dag van vandaag. Onderzoek zal worden gedaan naar hoe kerkliedtradities bepalend zijn voor de eigen groepsidentiteit, en hoe de manier van zingen aanleiding kan geven tot onderlinge conflicten.

Onderzoekers: Folgert Karsdorp, Peter van Kranenburg

Orale cultuur

Een fundamentele vraag in de komende onderzoeksperiode naar orale cultuur is waarom sommige culturele artefacten (zoals liederen en verhalen) succesvoller zijn dan andere. Waarom is bijvoorbeeld Roodkapje al meer dan driehonderd jaar een van de populairste sprookjes in de westerse wereld? 

En waarom wordt er in Nederland al generaties lang gezongen dat Kortjakje ziek is? Verschillen in populariteit en cultureel uithoudingsvermogen kunnen ook bestaan op een abstracter niveau dan individuele culturele artefacten. Waarom worden bijvoorbeeld sprookjes nog altijd veelvuldig her- en doorverteld maar is de protestsong als genre al tijden op z’n retour?

Een centrale vraag van het liedonderzoek op het Meertens Instituut is hoe (orale) lied- en muziektradities in Nederland veranderen of juist stabiel blijven. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan de sociale en cognitieve mechanismen die ten grondslag liggen aan het opkomen, populair worden (en blijven), en ondergaan van lied- en muziektradities. Wat is, bijvoorbeeld, de invloed van verschillen in sociale status op culturele transmissie en selectie, en hoe beïnvloeden bepaalde cognitieve voorkeuren het succes van een lied? Om dergelijke vragen te beantwoorden, investeert het onderzoek in de ontwikkeling van innovatieve computationele modellen van culturele verandering, waarmee veranderingen in culturele variatie op (ver)grote schaal en op een kwantitatieve manier onderzocht kunnen worden. Het formele en kwantitatieve karakter van deze modellen maakt het mogelijk (historische) veranderingen in lied- en muziektradities op een gedetailleerde, repliceerbare en testbare manier te beschrijven. Bovendien stellen deze modellen ons in staat om te abstraheren van specifieke voorbeelden van muzikale verandering en verbanden te leggen met andere en algemenere processen van culturele verandering. (Hoe, bijvoorbeeld, verhouden veranderingen van liedtradities zich tot modetrends, of verschuivingen in ideologische of religieuze waarden?) Dit alles is relevant binnen het onderzoek naar dynamische identiteiten in Nederland.

Onderzoekers: Folgert Karsdorp, Peter van Kranenburg, Martine de Bruin, Ellen van der Grijn

Orale cultuur

De Nederlandse Volksverhalenbank, die gestart is in 1994, bevat een rijkdom aan volksverhalen (sprookjes, raadsels, sagen, legenden, moppen, broodjeaapverhalen) van de middeleeuwen tot heden. Bij elk verhaal wordt metadata opgenomen zoals de plaats van vertellen, de datum van optekening, de verteller, en – indien mogelijk – het internationale catalogusnummer (de zogenaamde ATU typologie). 

Het Meertens Instituut heeft nog de nodige collecties in het archief en edities die invoering behoeven. Tevens zijn enkele regio's nog wat onderbelicht, die aanvulling behoeven. Voor het komende onderzoek zal modern en historisch materiaal verder worden aangevuld. Voor het moderne materiaal kunnen we terecht bij sociale media (denk aan broodjeaapverhalen, internet-memen e.d.), maar er is vooral ook behoefte om materiaal uit de 17e en 18e eeuw aan te vullen uit almanakjes, kluchtboekjes en dergelijke. De database zal worden ingezet voor onderzoek naar vorm, betekenis, variatie en functie van volksverhalen, en voor computationeel onderzoek naar bijvoorbeeld narratieve patronen, geografische verspreiding, clustering van motieven, gender-verschillen en het voorkomen van sentimenten. Tot slot wordt de Volksverhalenbank ook benut ten behoeve van het digitale valorisatieproject van de SagenJager (www.sagenjager.nl), die toeristische wandel- en fietsroutes bevat van volksverhaal naar volksverhaal.

Veel werkzaamheden aan de Nederlandse Liederenbank vloeien voort uit de lopende en komende onderzoeksprojecten. In de komende periode zal dus relevante (meta-)data worden verrijkt of toegevoegd voor het canononderzoek (zie B2e) en in toenemende mate zal samenwerking worden gezocht met bestaande initiatieven om zoveel mogelijk gebruik te kunnen maken van elders beschikbare data. Waar voorheen veel aandacht uitging naar historisch liedmateriaal, zal nu ook veel primair materiaal uit een recenter verleden worden ontsloten.

Orale cultuur

Dit langlopende project behandelt een veelvoud aan verhalende uitingen over een langere periode: van de performance van middeleeuwse verhalen, de formele structuur van sprookjes en getuigenissen van bekering, de invloed van kranten, almanakken en kluchtboekjes uit de 17e en 18e eeuw op de (re-)oralisatie van verhalen, etnisch vertellen, tot de impact van hedendaagse sagen, memes, 'fake news' en hoaxes in de hedendaagse overlevering, zowel mondeling als op sociale media.

Onderzoeker: Theo Meder

Orale cultuur

Het acroniem staat voor Intelligent Search Engine for Belief Legends. Het project is een NWO Trans-Atlantic Digging into Data project waarin samengewerkt wordt met Tim Tangherlini van de UCLA en Christoph Schmitt en Holger Meyer van het Wossidlo Instituut en de Universiteit van Rostock. 

In het project zal gebouwd worden aan een internationale harvester, die in staat is om simultaan in meerdere databases te zoeken en de resultaten op allerlei visuele manieren in beeld te brengen. Daarbij kunnen zowel algemene Noord-Europese cultuurverschijnselen als regionale diversiteit en eigenheid worden gevisualiseerd en geduid.

Begonnen wordt met de Nederlandse Volksverhalenbank, de Deense Volksverhalenbank en de Noord-Oost-Duitse folklore database WossiDia. Later kunnen daar andere databases bij aansluiten (IJsland, Zweden, Vlaanderen, Catalonië, Portugal). Voor het onderzoek is het van belang dat er een beter zicht komt op de verspreiding van historisch volksgeloof in het bovennatuurlijke: heksen, tovenaars, kabouters, trollen, zeemeerminnen, spoken, watermonsters en dergelijke. Dankzij ISEBEL zal het mogelijk worden om een grote kustregio van Noordzee en Oostzee in kaart te brengen met mogelijk zeer specifieke Wandersagen oftewelMigratory Legends.

 
Onderzoeker: Theo Meder
Orale cultuur

In Nederland, maar ook elders in de wereld, is in de afgelopen decennia een uitgebreide herdenkingscultuur rondom ‘de publieke dood’ ontstaan. Het gaat hierbij zowel om de gewelddadige dood in het publieke domein als gevolg van verkeer, geweld of nationale ramp, als wel het (natuurlijk) overlijden van bekende Nederlanders (André Hazes, Eberhard van der Laan, MH17). 

In dit onderzoeksproject wordt de vraag gesteld naar de overtuigingskracht en populariteit van de, grotendeels, nieuwe rituelen waarmee mensen de publieke dood herdenken. Daarnaast focust dit project op de toenemende behoefte om betekenisvolle plekken blijvend te markeren (‘monumentalisering’), herdenkingsmateriaal te bewaren, en deze als erfgoed te beschouwen.

Onderzoeker: Irene Stengs

Cultuur van het dagelijks leven

Het project ‘Alternatieve geneeswijzen’ behelst een onderzoek naar de functies en betekenissen van hedendaagse vormen van faith healing en alternatieve, irreguliere of integratieve vormen van medicatie en behandelwijzen. Op basis van vragenlijsten, veldwerk en media-analyses wordt de brede verbreiding en de groeiende populariteit van niet-medische geneeswijzen in Nederland (a fortiori de Westerse wereld) onderzocht.

 Het gaat om een sociaal-culturele benadering van het fenomeen, waarbij de effectiviteitsvraag (’werkt het?’) niet aan de orde is, maar de vraag gesteld wordt waarom mensen in toenemende mate ervoor openstaan, op welke wijze invulling aan deze praktijken wordt gegeven en hoe een en ander zich verhoudt tot de medische wereld.

Onderzoeker: Peter Jan Margry

Cultuur van het dagelijks leven

Dit onderzoeksproject omvat een gedifferentieerd veld aan religieuze expressies in heden en verleden. Enerzijds is het onderzoek gericht op fenomenen als pelgrimage en verschijningen en cultussen rondom (heilige) personen en anderzijds ligt de focus op vormen van nieuwe, al dan niet impliciete, vormen van religiositeit, spiritualiteit en ritualiteit.

 Het gaat in het onderzoek om de identificatie van nieuwe vormen en ontwikkelingen en de analyse van de betekenissen ervan voor de moderne samenleving, zoals bijvoorbeeld in de instrumentalisatie van Maria als ‘warrior saint’ in de (nieuwe) Koude Oorlog en in de strijd tussen conservatieve en progressieve religieuze bewegingen.

Onderzoeker: Peter Jan Margry

Cultuur van het dagelijks leven

Dit Europese onderzoeksproject onderzoekt de spanningen en paradoxen die opkomen wanneer religieuze plaatsen, objecten en praktijken tot erfgoed gemaakt worden. Wereldwijd worden religieuze gebouwen, voorwerpen en tradities geconserveerd en gewaardeerd als cultureel erfgoed, waarbij de oorspronkelijke spirituele dimensie naar de achtergrond verdwijnt. 

Tegelijkertijd krijgen culturele voorwerpen, tradities en bijzondere architectuur met erfgoedstatus een onaantastbare, welhaast sacrale betekenis. Dit project onderzoekt wat deze, vaak botsende, vormen van heiligheid, seculier en religieus, zeggen over onze tijd.

Het deelproject aan het Meertens Instituut, getiteld 'The Dutch Passion for the Passion' richt zich op allerlei vormen van passiespelen, zoals Bach's Matthaus Passion, de Passiespelen Tegelen, en The Passion (EO/KRO). Een belangrijke context hierbij is het steeds sterker wordende debat over het belang van religieus erfgoed, vaak aangeduid als ‘ons Joods-Christelijke verleden’, voor het begrijpen van de huidige, seculiere Nederlandse identiteit. Deze ontwikkeling moet geplaatst worden in een toenemende onzekerheid over de groeiende zichtbaarheid religieus-culturele ‘anderen’, met name Moslims in de Nederlandse samenleving. Specifiek wordt gekeken naar de hedendaagse populariteit en status van de verschillende passies, en de wijze waarop huidige opvoeringen van de lijdensweg van Christus' passies zich verhouden tot verbeeldingen van religieuze en seculiere gemeenschappen in het heden en verleden. Het onderzoek zal vooral bestaan uit etnografisch veldwerk aangevuld met media- en discours-analyse en historische methodes. Er wordt samengewerkt met het museum Catharijne Convent in Utrecht.

Onderzoekers: Ernst van den Hemel, Irene Stengs

Cultuur van het dagelijks leven

De Nederlandse PVV en het Duitse Pegida passen niet goed in bestaande begrippenkaders zoals links/rechts of religieus/seculier en publiceren weinig programmatische teksten. Hoe kunnen we deze populistische bewegingen dan toch beter begrijpen? 

In het project Populisme, social media en religie pogen onderzoekers het gedachtegoed van populistische bewegingen inzichtelijk te maken door berichten op Twitter en Facebook te analyseren. Specifiek wordt gekeken naar de manier waarop men verwijst naar christelijke en joodse religies. Hoe spelen begrippen als ‘joods-christelijk’ en ‘christelijke waarden’ een rol in de populistische verbeelding van het eigen volk? Dit project zet daartoe een samenwerking op tussen religiewetenschappers en media-wetenschappers in Nederland en Duitsland. Dit project is gefinancierd door een KNAW-startimpuls in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda. Het project sluit aan bij de route Veerkrachtige en Zinvolle Samenlevingen van de Nieuwe Wetenschapsagenda.

Onderzoeker: Ernst van den Hemel

Cultuur van het dagelijks leven

Naar aanleiding van de UNESCO Conventie ter Bescherming van het Immaterieel Erfgoed, die Nederland in 2012 heeft geratificeerd, bemoeien zich verschillende actoren – overheidsinstellingen, zogenoemde erfgoedprofessionals, dragers van erfgoed, musea – met het behoud van alledaagse cultuur. Zij vormen een (emotie)netwerk dat bepaald is door betekenisvolle machtsverhoudingen. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan het krachtenveld van dit netwerk om vragen naar erfgoediseringsprocessen te beantwoorden.

 Deze erfgoediseringsprocessen zijn ten nauwste verbonden met kwesties rond collectieve identiteiten waarbij vaak aanspraak gemaakt wordt op ‘nationale verbondenheid’. In het onderzoek gaat bijzondere aandacht uit naar de rol van musea en erfgoeddragers en hun onderlinge verhoudingen en onderhandelingen bij het produceren van erfgoed. Daarbij is de vraag relevant hoe omgegaan wordt met de samenhang en de verschillen tussen materieel en immaterieel erfgoed.

Onderzoeker: Sophie Elpers

Cultuur van het dagelijks leven

De categorie ‘ruraliteit’ krijgt tegenwoordig veel aandacht. Dit betreft zowel (collectieve) imaginaire voorstellingen van het platteland als ook concrete alledaagse cultuuruitingen en de wisselwerkingen tussen beide. De drastische transformatieprocessen die het platteland heeft doorgemaakt dragen bij aan veranderende opvattingen over alledaagse landelijke levensstijlen en hebben een breed, associatief spectrum van nieuwe beelden opgeroepen. Het project onderzoekt deze veranderingen en de effecten hiervan op ideeën over het platteland (bij zowel bij urbane als niet-urbane) bewoners en identiteitsvorming.

 Door de focus op materiële cultuur, dat wil zeggen door architectuur, en bouwen en wonen als culturele expressies op te vatten, wordt onderzocht hoe mensen rurale culturen begrijpen en hoe kwesties van individuele, groeps-, lokale, regionale en nationale identiteiten hieraan verbonden worden.

Daarnaast wordt tevens meegewerkt aan een tweede herziene versie van de Encyclopedia of Vernacular Architecture of the World. Hiermee mee wordt het onderzoek naar materiële cultuur op het platteland in Nederland in een internationaal vergelijkend perspectief gebracht.

Onderzoeker: Sophie Elpers

Cultuur van het dagelijks leven

Virtuele netwerken, en de beelden die daarin circuleren, zijn vandaag niet alleen onderdeel van het leven van alledag, ze beïnvloeden ook in hoge mate hoe mensen zichzelf in relatie tot anderen begrijpen. In dit project onderzoekt Markus Balkenhol de rol van beelden in identiteitsconstructies in Nederland. 

Hij richt zich bijvoorbeeld op discussies rondom koloniale standbeelden zoals het voormalige Van Heutsz monument en voortdurende controverses rondom de figuur van Zwarte Piet.

Onderzoeker: Markus Balkenhol

Cultuur van het dagelijks leven

In het kader van het gemeenschappelijke onderzoeksprogramma van het Humanities Cluster met de titel 'Impact of Circulation' doet Markus Balkenhol onderzoek naar sociale bewegingen voor de rechten van zwarte Nederlanders. Specifiek onderzoekt hij de invloeden van international zwarte bewegingen (Civil Rights Movement, BlackLivesMatter, Rhodes Must Fall) op organisaties van Nederlanders van Afrikaanse afkomst. Dit project heeft een etnografische en een historische component.

Onderzoeker: Markus Balkenhol

Cultuur van het dagelijks leven

Het culturele eigene beleeft een hoogconjunctuur. Aan Nederlandse cultuur, tradities, architectuur, design, erfgoed, eten, religie, normen en waarden wordt nadrukkelijk aandacht besteed. De vraag is waarom zich dit nu, in de 21ste eeuw, voltrekt. 

Vanuit verschillende invalshoeken wordt onderzocht welke emotionele, esthetische en politieke dimensies vormgeven aan wat in dit project als Nederlandsheid wordt aangeduid. Hoe wordt Nederlandse cultuur gecommodificeerd? Hoe krijgt Nederlandsheid vorm en uitdrukking via rituelen en populaire cultuur? Welke rol spelen religiositeit en processen van secularisering? Hoe verhoudt Nederlandsheid zich tot het koloniale verleden en het postkoloniale heden? In welke talige vormen komt Nederlandsheid tot uitdrukking?

Onderzoekers: Markus Balkenhol, Sophie Elpers, Peter Jan Margry, Irene Stengs

Cultuur van het dagelijks leven

Het Taalportaal (taalportaal.org) geeft een vrijelijk toegankelijke gezaghebbende grammaticale beschrijving van o.m. het Nederlands, Fries en Afrikaans voor wetenschappelijke doeleinden. Het MI is verantwoordelijk voor de productie en het onderhoud van het Nederlandse onderdeel. 

In de komende onderzoeksperiode zullen een aantal ontbrekende onderdelen worden toegevoegd op het gebied van de syntaxis, waaronder een omvangrijke beschrijving van coördinatie en verschijnselen die daarmee samenhangen zoals samentrekking. Ook zullen een aantal onderwerpen op het grensgebied van de syntaxis en de semantiek beschreven worden zoals negatie en negatief polaire items (in Ik denk niet dat er ook maar iemand zal zijn). Sommige onderdelen van de syntaxis dateren van het eind van de vorige eeuw en zullen geüpdate worden door incorporatie van de laatste inzichten.

Onderzoekers: Hans Broekhuis, Ton van der Wouden, Marc van Oostendorp

Variabele en invariabele eigenschappen van het Nederlands

Traditionele grammatica's beschrijven vooral die fenomenen die traditioneel in grammatica's beschreven worden. Voor sommige zaken, zoals partikels en andere spreektaalfenomenen, is nauwelijks plaats in dat soort grammatica's, en ook veel theoretische grammatica’s weten daar niet altijd raad mee. 

Toch zijn ze interessant. Samen met Karina van Dalen-Oskam (Huygens) onderzoeken we of we iets met partikels en andere functiewoorden kunnen om de vraag "wat is literatuur" te beantwoorden. Er is anekdotisch bewijs dat vertalingen uit het Engels minder modale partikels bevatten dan vergelijkbaar oorspronkelijk Nederlands proza. We gaan dat met kwantitatieve methoden toetsen in een corpus van originele en vertaalde literatuur. Vervolgens zullen we nagaan hoe dat zit met vertalingen uit het Duits en het Frans, en of verschillende niveaus van literatuur corresponderen met verschil in partikelgebruik. Ook bekijken we of distributionele semantiek bruikbaar kan zijn om meer te weten te komen over de betekenis van partikels.

Onderzoekers: Ton van der Wouden, Folgert Karsdorp

Variabele en invariabele eigenschappen van het Nederlands

Zowel tussen de verschillende variëteiten van het Nederlands als tussen de verschillende talen bestaat er een grote variatie in het gebruik van hebben en zijn. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de datief. Dit kan goed geïllustreerd worden aan het verschil tussen het Nederlands en het Engels. 

Terwijl in het Nederlands hebben en zijn beide als hulpwerkwoord van tijd gebruikt kunnen worden (Jan heeft gelachen; Jan is gearriveerd) is in het Engels alleen have mogelijk (John has laughed/arrived). Dit verschil in hulpwerkwoordselectie lijkt te correleren met naamvalstoekenning: in passieve constructies met dubbelobjectwerkwoorden als aanbieden bijvoorbeeld verschijnt in het Nederlands de oorspronkelijke accusatief als onderwerp terwijl in het Engels de oorspronkelijke datief als onderwerp verschijnt (De boeken werden hem aangeboden versus He was offered the books). Dit onderzoek beoogt de geattesteerde variatie tussen dialecten/talen in kaart te brengen en te verklaren uitgaande van de hypothese dat de werkwoorden hebben en zijn invariant zijn.

Onderzoekers: Hans Broekhuis, Marjo van Koppen, Leonie Cornips

Variabele en invariabele eigenschappen van het Nederlands

Binnen het Meertens Instituut is in het verleden veel morfologisch onderzoek verricht, maar dit was altijd gericht op de flexie. In de komende onderzoeksperiode willen we ons met name richten op derivationeel-morfologisch onderzoek, zowel naar de standaardtaal (binnen Taalportaal) als binnen de dialecten (op basis van de grote databestanden die het Meertens Instituut in de loop van de jaren heeft aangelegd en op basis van nieuw uit te voeren surveys) als naar de historische situatie (op basis van onder andere de infrastructuur Nederlab). 

Er loopt een vrije competitie-aanvraag waarvan de centrale onderzoeksvraag is welke factoren productiviteit bepalen, en hoe afleidingen worden geproduceerd: worden ze als geheel opgeslagen in en opgehaald uit het geheugen, worden ze bijvoorbeeld telkens opnieuw afgeleid uit een taalregel die woorden combineert met voor- of achtervoegsels, of is er sprake van een ingewikkeldere combinatie van opslag en rekenwerk?

Onderzoekers: Marc van Oostendorp, Nicoline van der Sijs, Ton van der Wouden

Variabele en invariabele eigenschappen van het Nederlands

Vaak wordt verondersteld dat intensief taalcontact leidt tot het verlies van flectie; zulks zou het gevolg zijn van het feit dat inflectionele morfologie lastig te leren is voor tweedetaalverwervers. Een systeem zonder flectie zou dus eenvoudiger zijn; dat is de reden waarom in de geschiedenis van het Nederlands het verdwijnen van bijv. casus en grammaticaal geslacht zijn oorsprong steeds lijkt te vinden in stedelijke gebieden. 

Een probleem bij deze gedachte is echter dat flectie zelden of nooit plotseling helemaal verdwijnt. Meestal gebeurt het door langzame fonologische erosie, waarbij er een stadium is waarin de inflectie nauwelijks nog fonetisch detecteerbaar is, terwijl het nog wel morfologisch functioneert. Dit is paradoxaal, want dit tussenstadium lijkt eerder lastiger te leren voor tweedetaalverwervers. Dit project onderzoekt deze paradox, ervanuitgaande dat een goede formalisatie van begrippen als ‘fonologische exponentie’ van morfemen beter licht kunnen werpen op deze zaak, en zich richtend op adjectivale en verbale flectie (de uitdrukking van respectievelijk grammaticaal geslacht en persoon).

Onderzoeker: Marc van Oostendorp

Variabele en invariabele eigenschappen van het Nederlands

De standaardtaal is anders dan de Nederlandse dialecten voor een belangrijk deel gevormd door de inspanning van vooraanstaande taalgebruikers, die een keuze maakten uit verschillende taalvormen, die overigens meestal het resultaat waren van natuurlijke ontwikkelingen.

 Interessant is dat er eind 20ste en begin 21ste eeuw in zekere zin op regionaal niveau een herhaling plaatsvindt van wat voor de standaardtaal in de renaissance gebeurde: opnieuw probeert een groep taalgebruikers uit de bestaande variatie een standaardvorm te kiezen, te promoten en te codificeren. Dit roept een groot aantal nog niet systematisch onderzochte sociolinguïstische vragen op: Wie bepalen de norm van het regiolect? Welke taalvarianten worden daarbij als norm gekozen, voor de spelling, voor de uitspraak, voor de grammatica; wat geldt als taalcentrum van de regiolecten en waarom? Wat zijn de argumenten voor en tegen bepaalde varianten? In hoeverre komt de argumentatie overeen met die voor de keuzes van de standaardtaal tijdens de renaissance en in hoeverre verschilt deze? In hoeverre komt het gestandaardiseerde regiolect overeen met wat mensen daadwerkelijk zeggen of is het een geconstrueerd iets? Wat is de houding van de taalgebruikers tegenover dit gestandaardiseerde regiolect: volgen zij het na en leidt dat tot veranderingen in de regiolecten en/of de dialecten?

Onderzoekers: Nicoline van der Sijs, Leonie Cornips

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

Wanneer talen met elkaar in contact komen, impliceert dit vaak ook dat de culturen met elkaar in contact komen waarin die talen gesproken worden. Voor poëtische tradities heeft dat een dubbel gevolg. In een ‘ontvangende cultuur’ kan de taal veranderen, waardoor bepaalde poëtische vormen minder goed passen (de klemtoon van woorden verschuift bijvoorbeeld, zodat een bepaald metrum minder goed kan worden uitgevoerd); maar de gebruikers van de taal kunnen ook onder invloed van de andere cultuur andere poëtische vormen willen uitproberen. 

Aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw leidde zo het intensieve contact met de Romaanse (Frans-Italiaanse) wereld in de Lage Landen tot een geheel nieuwe poëtische vorm: de Nederlandse jambische hexameter (alexandrijn), die sindsdien met enige variatie de standaardmetriek is gebleven. Deze verandering is soms toegeschreven aan de gelijktijdige adoptie van tal van Romaanse leenwoorden. Recenter adopteren rappers metrische vormen uit een andere Germaanse taal (het Engels), terwijl ze hun teksten tegelijkertijd doorspekken met woorden die geleend worden uit allerlei, overwegend niet-Germaanse, talen. De onderzoeksvraag is wat er gebeurt als een taal metrische vormen uit een andere taal probeert over te nemen.

Onderzoekers: Marc van Oostendorp, Mirella de Sisto

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

Uitspraakverschillen evolueren vaak via grammaticaal verschijnsel tot een permanente verandering in de vorm van woorden. Dit proces, dat bekendstaat als de levenscyclus van klankverandering (Bermúdez-Otero 2015), verloopt langzaam, altijd in dezelfde richting, maar niet overal in hetzelfde tempo. 

Faseverschillen  leiden tot verschillen tussen dialecten en talen. In de theorie die is voorgesteld in Hinskens (2017; 2018) wordt getracht vanuit drie verschillende takken van taalwetenschap helderheid te brengen in de mechanismes die aan het proces ten grondslag liggen.

De theorie wordt onder meer onderzocht aan data over een deletieproces in de Middelfrankische dialecten.  Deze dialecten vormen historisch een eigen groep en ook taalstructureel vertonen ze nog enkele interessante overeenkomsten, hoewel ze gesproken worden in het tegenwoordige Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, België en Nederland. Jongere ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat deze dialecten deel zijn gaan uitmaken van zeer verschillende standaard-dialect-constellaties. Dit gegeven en het feit dat het deletieproces in kwestie in deze dialecten op subtiel verschillende manieren geconditioneerd is, schept de ideale voorwaarden voor de vergelijkende fonologische reconstructie van dit proces en daarmee voor het onderzoek van zijn levenscyclus.

Onderzoek: Frans Hinskens

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

Hoewel patronen in de manier waarop talen veranderen vergelijkbaar zijn, voltrekken veranderingen zich niet noodzakelijk even snel. Deze observatie leidt tot een van de meest fundamentele vragen in de taalkunde: wat veroorzaakt taalverandering? Taalveranderingen kunnen enerzijds verklaard worden uit grammaticale eigenschappen van de taal zelf (interne triggers), en anderzijds uit de socio-culturele contexten waarin de taal wordt gebruikt (externe triggers). Hoe de grammatica en de sociaal-culturele context interageert is echter verre van duidelijk.

Het doel van dit project is om de interactie tussen interne en externe triggers systematisch te onderzoeken, om een breed overzicht te krijgen van de manieren waarop taalverandering in gang wordt gezet. Het project gebruikt een innovatieve interdisciplinaire aanpak, waarin het inzichten combineert uit drie taalkundige disciplines: formele taalkunde (het grammaticale perspectief op taalverandering), sociolinguïstiek (het socio-culturele perspectief) en computationele taalkunde, om taalverandering te modelleren.

Onderzoek: Gertjan Postma, Marjo van Koppen, Marc van Oostendorp, Hans Broekhuis

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

Verhoogde maritieme circulatie heeft niet alleen zijn weerspiegeling in materiële en economische geschiedenis, maar ook van talige geschiedenis. Deze talige geschiedenis is uitgekristalliseerd in de overeenkomsten en verschillen in de huidige taalvariëteiten: maritieme isoglossen. We onderzoeken dit (in ieder geval) aan de hand van Nederlandse en Duitse variëteiten. 

Oudere verbanden en nieuwe verbanden zijn naast elkaar aanwezig en te herkennen in de bijzondere loop van isoglossen, lexicale isoglossen, en diepe morfosyntactische isoglossen. Vele vragen doemen op: wat triggert de overgang van de maritiem naar continentaal? Wat zijn de sociale en taalkundige gevolgen? Als werkhypothese is dat omklappen van maritiem naar continentaal op lokale schaal gepercipieerd wordt als "volksverhuizing" (migratie). Het omklap-model is mogelijk uitbreidbaar naar moderne migratiestromen van (Noord-)Afrikanen naar Europa.

Gertjan Postma, Frans Hinskens

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

In de taaldynamiek van de Nederlandse Gouden Eeuw zien we een taalvariatie die tot dusver weinig is bestudeerd: de varatie binnen één individuele taalgebruiker (intra-auteurvariatie). De beroemde schrijver P.C. Hooft, bijvoorbeeld, gebruikt zowel de Middelnederlandse manier van negatie (en … niet) als een moderner alternatief (niet). 

Hoe kunnen we deze ogenschijnlijk willekeurige variatie verklaren? In dit project brengen we de grammaticale eigenschappen van individuele variatie in kaar die we vinden in geschreven teksten. We koppelen deze bevindingen aan sociaal-culturele en literaire factoren die mogelijk van invloed zijn geweest op de keuzes van individuele auteurs. De centrale hypothese is dat de (interne) grammatica van auteurs een bepaalde graad van variatie mogelijk maakt die systematisch werd gebruikt door auteurs, afhankelijk van contextuele factoren.

Onderzoekers: Gertjan Postma, Marjo van Koppen, Nicoline van der Sijs

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

Alle Germaanse talen kennen complexe werkwoordconstructies met twee of meer hulpwerkwoorden, zoals: Ik moet kunnen komen / I must be able to come of Ik heb/ben kunnen komen / I have been able to come. De periode van ontstaan en de voorwaarden waaronder verschillen per taal, waardoor er tussen de talen allerlei variatie bestaat. 

Het doel van dit onderzoek is te achterhalen welke oorzaken en mechanismen hebben geleid tot het ontstaan van de complexe werkwoordconstructies en hoe de verschillen zijn te verklaren. Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met onderzoekers Evie Coussé en Gerlof Bouma van de Universiteit Göteborg. Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van historische grammatica’s en bestaande historische corpora, maar daarnaast wordt binnen het project een nieuw corpus samenstellen, dat vergelijkend onderzoek van de Germaanse talen mogelijk maakt, namelijk een meertalig parallel corpus van historische en moderne bijbelvertalingen. Via een dergelijk parallel bijbelcorpus komen veranderingen binnen en tussen de verschillende talen aan het licht: de bijbel is immers in alle talen vertaald en er zijn in de loop van de tijd telkens nieuwe vertalingen van gemaakt.

Onderzoeker: Nicoline van der Sijs

De geschiedenis van het Nederlandse taalcontact

Het Surinaamse Nederlands is nog niet diepgaand onderzocht. Het kent een breed palet aan variatie die samenhangt met het gegeven dat het Surinaamse Nederlands deel uitmaakt van een continuüm dat zich uitstrekt tussen het Sranan Tongo, de voornaamste creooltaal in Suriname, en het Europese Standaardnederlands. 

Binnen de Surinaams Nederlandse taalgemeenschap is de variatie verbonden met het onderscheid tussen Paramaribo en de ‘districten’ en met de etnische (en daarmee talige) achtergronden van de sprekers. In samenwerking met sprekers en Surinaamse taalkundigen willen wij het Surinaamse Nederlands in kaart brengen. We overwegen hiertoe grootschalig inventariserend onderzoek op basis van data die verzameld worden met behulp van crowdsourcing technieken. Daarnaast willen we, op bescheidener schaal, de etnische dimensie onderzoeken met conversationele data die in veldwerk verzameld zijn via experimentele onderzoeksdesigns. Hierbij gaat het voor vertegenwoordigers van de vier voornaamste etnische groepen om situaties van intra- en interetnisch contact: in hoeverre heeft elke groep zijn eigen Nederlands en in hoeverre past men zijn taalgebruik aan aan dat van leden van andere groepen (‘accommodatie’)? Dat laatste mechanisme speelt in een multiculturele samenleving vermoedelijk een voorname rol in de ontwikkeling van de standaardtaal.

Onderzoekers: Frans Hinskens, Nicoline van der Sijs, Marc van Oostendorp, Ton van der Wouden

Nederlands in contact met andere talen

In dit project wordt taalvariatie onderzocht als een verschijnsel dat in sociale en culturele interacties optreedt maar wel afgebakend wordt door de (mentale) grammatica van de spreker. De interactie tussen de sociale betekenis van talige vormen aan de ene kant en de beperkingen van de grammatica aan de andere kant, zorgt voor complexe en meerlagige relaties tussen het individu en de wisselende groepen waarmee hij/zij zich identificeert. 

Door die identificaties kan de spreker grammaticale beperkingen voortdurend opheffen in specifieke gesitueerde contexten en interacties. Dit perspectief maakt het mogelijk om te voorspellen welke talige vormen en structuren meer behoudend of juist vatbaar zijn voor variatie en verandering en voor zogenaamde ongrammaticale of onmogelijke constructies vanuit een dominant perspectief. Het project onderzoekt met name (i) het grammaticaal geslacht in het adnominale en pronominale domein zoals ‘de meisje’ of ‘het meisje die’, adjectivale inflectie ‘een grote boek’ en (ii) het pronominaal ‘er’ als in ‘Ik heb er drie gezien’ dat varieert in Nederlandse variëteiten en kwetsbaar is in situaties van taalcontact.

Onderzoekers: Leonie Cornips, Hans Broekhuis

Nederlands in contact met andere talen

Etnolecten, taalvariëteiten die van oorsprong verbonden zijn met bepaalde etnische groepen, zijn geworteld in substraat (de invloed van de oorspronkelijke taal van de etnische groep in kwestie, zoals bijv. het Turks of een dialect van het Arabisch), algemene processen van tweedetaalverwerving en de omringende inheemse dialecten. Zijn de eigenschappen die gedeeld worden door verschillende etnolecten van dezelfde talen terug te voeren op gemeenschappelijke eigenschappen van de substraattalen?

 Of zijn ze allereerst toe te schrijven aan universele eigenschappen van processen van tweedetaalverwerving? Welke eigenschappen van de omringende dialecten beginnen een tweede leven in etnolecten? Welke rol spelen etnolecten in het behoud en de ontwikkeling van de inheemse stadsdialecten waarop ze meestal ontstaan? Beheersen sprekers van etnolecten ook andere verschijningsvormen van de taal, zoals de standaardtaal? In hoeverre functioneert een etnolect als een stijl? Verbreidt een etnolect zich ook voorbij de eigen etnische groep? Dit project bouwt voort op data en methodes die ten grondslag liggen aan het Roots of Ethnolects-project en richt zich op enkele van de vele variabele verschijnselen die nog niet diepgaand onderzocht zijn.

Onderzoeker: Frans Hinskens

Nederlands in contact met andere talen

In dit project wordt de dubbele rol van ‘taal’ onderzocht: taal is voor mensen een middel om cultuur en een gemeenschap te (re)produceren maar taal vormt zelf ook het hart van een cultuur/gemeenschap. Als groepsidentificaties veranderen, veranderen gemeenschappen, culturen en talen en in die veranderingen construeren groepen zich weer. 

De relatie tussen individu (groepen mensen), plek en taal zal als veel meer complex, fluïde, meerdimensionaal en ambigu onderzocht worden dan in het meer traditionele taalkundig onderzoek zoals dialectologie. In dit perspectief is een ‘plek’ zoals een straat, regio, Nederland of Europa het resultaat van de vrijwillige keuzes die verschillende groepen mensen maken hoe zij de wereld zoals zij die beleven indelen. Vanuit deze context impliceert een plek creëren dat groepen mensen op een bepaalde wijze spreken en op deze wijze ook herkenbaar voor anderen zijn die hen daardoor als van één en dezelfde plek identificeren. De concepten die centraal staan zijn: maakbaarheid (agency), belonging en place-making en taalvariatie staat voor talige vormen (lexicaal, morfologisch, syntactisch), code-wisselen en taalkeuze.

Onderzoekers: Leonie Cornips

Nederlands in contact met andere talen

Er is veel variatie en verandering in hoe het Nederlands en zijn dialecten gender markeren. De Brabantse dialecten hebben bijvoorbeeld van origine een drie-gendersysteem, maar in de huidige situatie van deze dialecten zien we een grote hoeveelheid variatie op dit punt.

Taalcontact in onze dynamische en snel veranderende maatschappij heeft geleid tot convergentie van de Brabantse dialecten naar de standaardtaal met dialect levelling en dialectverlies tot gevolg. In een pilot-studie die we hebben uitgevoerd zien we echter dat de gendermarkeringen in sommige contexten minder worden gebruikt, maar in andere ook juist vaker: sprekers gebruiken markeringen waar dat in het originele dialect niet mogelijk was en creëren zelfs nieuwe markeringen. Deze variatiepatronen tussen en binnen sprekers van hetzelfde dialect zijn een directe aanwijzing voor een taal die aan het veranderen is. Samen met Jos Swanenberg (TiU) wordt deze variatie en verandering in de Brabantse dialecten onderzocht om zo een beter inzicht te krijgen in de meer algemene processen die ten grondslag liggen aan taalvariatie en -verandering. We bekijken in dit onderzoek zowel de taalstructuren als de sociale, stilistische of culturele invloeden op variatie en verandering en we brengen die ook met elkaar in verband om zo de dynamische interactie tussen taalsysteem en taalgebruik bij verandering en variatie op het spoor te komen. 

Onderzoekers: Marjo van Koppen, Leonie Cornips, Gertjan Postma
Nederlands in contact met andere talen

In de periode van het onderzoeksplan willen we eerste stappen nemen om het Nederlands buiten de Lage Landen in kaart te brengen. Daarvoor is reeds een workshop bij het Lorentz Center aangevraagd en gehonoreerd en er zijn contacten gelegd met diverse onderzoekers die willen samenwerken voor onderzoek naar het taalgebruik binnen Nederlandse gemeenschappen in Australië en bij Mennonieten in Mexico. 

De nieuwe data kunnen interessante onderzoeksvragen beantwoorden zoals de vraag in hoeverre het contact met verschillende talen heeft geleid tot verschillen tussen de Nederlandse variëteiten, of dat er juist sprake is van convergentie of identieke ontwikkelingen. Ook is het interessant om te onderzoeken of het Europese standaard-Nederlands invloed blijft uitoefenen op buitengaatse variëteiten, of dat die vasthouden aan een oudere variant of zich baseren op Nederlandse dialecten.

Onderzoekers: Nicoline van der Sijs, Frans Hinskens, Marc van Oostendorp, Ton van der Wouden, Gertjan Postma
Nederlands in contact met andere talen