Publicatiedatum: 8 januari 2026
Irene Stengs over een kwart eeuw onderzoek naar hedendaagse rituelen en cultuur
In januari 2026 neemt antropoloog Irene Stengs afscheid van het Meertens Instituut, na een kwart eeuw onderzoek bij de afdeling etnologie. Haar fascinatie ligt bij de vraag hoe mensen door middel van materiële objecten – zoals bloemen, kaarsen, brieven of kruizen – uitdrukking geven aan hun emoties.

Door: Britt van Sloun
In 2002 begon Irene Stengs als onderzoeker bij het Meertens Instituut, in een periode waarin discussies over Europa, immigratie en nationale identiteit sterk oplaaiden. Deze maatschappelijke spanningen vormden een belangrijke context voor haar werk. Vanaf het begin richtte zij zich op etnologisch en antropologisch onderzoek naar rituelen, materiële cultuur en populaire culturele praktijken, met bijzondere aandacht voor de manier waarop rituelen functioneren in de moderne samenleving.
In de loop der jaren groeide Stengs’ rol binnen het Meertens Instituut. Ze werd senior onderzoeker en vervulde daarnaast bestuurlijke functies, waaronder die van voorzitter van de onderzoeksraad en hoofd van de afdeling etnologie. Parallel aan haar werk bij het instituut werd zij in juni 2017 benoemd tot bijzonder hoogleraar Antropologie van ritueel en populaire cultuur aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Verrassingen door veldwerk
Op de vraag waarom ze graag in het veld onderzoek doet, zegt Stengs dat ze zich graag laat verrassen. “Wie niet verrast wil worden, kan net zo goed informatie uit boeken halen,” vertelt ze. Op de eerste dag van haar veldwerk naar de populariteit van André Rieu, raakte ze op een terras in gesprek met een man die vier jaar lang de ‘viooldrager’ van Rieu bleek te zijn geweest. Ze had geen idee dat Rieu zo iemand in dienst had. “Antropologen gaan op veldwerk juist om zulke onverwachte ontmoetingen te hebben. Zo leer je over je onderwerp op een manier die anders niet mogelijk was geweest.”
Een ander onverwacht en bijzonder veldwerkmoment deed zich voor tijdens onderzoek naar carnaval in Amsterdam. “Samen met carnavalsvereniging De Geuzenkneuters arriveerde ik zingend met een dweilorkest in het Sloterparkbad. Bejaarde zwemmers en zwembadpersoneel – uitgedost in carnavalskledij – sloten zich aan,” vertelt Stengs. “Buiten het water vormde zich een polonaise waarbij sommige zwemmers het bad verlieten om mee te doen. Het was een ontroerende onderzoekservaring.”

Publieke duiding hoort bij het vak
Kennisdelen doet Stengs graag. Ze is een veelgevraagde deskundige in kranten, televisie‑ en radioprogramma’s om rituelen, feesten, tradities, nationale identiteit en herdenkingscultuur te duiden. “Journalisten volgen het jaarritme: Kerstmis, Pasen, Koningsdag. Ze stellen dan vragen als: ‘Waarom doen wij dit?’ Die vraag vind ik intrigerend, want ze veronderstelt een homogeen Nederland. Terwijl ons onderzoek juist laat zien dat er niet één ‘wij’ bestaat.” Soms zijn de aannames nog concreter, zoals de vraag waarom Nederlanders geen goede regenkleding zouden dragen. “Dat was een van de vreemdste vragen die ik kreeg,” zegt ze. “Ik weet niet eens of het klopt. Het regenpak bestaat tenslotte al heel lang.”
In mediaoptredens probeert ze nuance aan te brengen en aannames te doorbreken. “Niet iedereen doet of denkt hetzelfde en dat kan ook niet,” vertelt ze. Volgens Stengs hoort publieke duiding bij het vak. “Veel wetenschappers blijven niet in hun ivoren toren zitten, maar willen bijdragen aan breder begrip van cultuur en identiteit.”
Ritueel als spiegel van de samenleving
Maatschappelijke discussies over bijvoorbeeld immigratie maakt dat mensen zich afvragen wat ‘Nederland’ eigenlijk betekent. “In zulke tijden grijpen mensen vaak terug op symbolen en rituelen. Feesten, vlaggen en herdenkingen worden momenten waarop nationale gevoelens worden bevestigd of juist bevraagd,” legt ze uit. Als wetenschapper probeert ze te laten zien dat zulke rituelen niet alleen iets vertellen over traditie, maar vooral ook over verandering en sociale spanningen. “Tijdens een ritueel worden bestaande maatschappelijke kwesties vaak uitvergroot.”
De nieuwsgierigheid naar hoe rituelen gevoelens en maatschappelijke spanningen weerspiegelen, bracht haar aanvankelijk ook naar Thailand waar ze haar promotieonderzoek deed. Ze onderzocht de verering van koning Chulalongkorn (Rama V), die begin twintigste eeuw was overleden, maar aan het eind van de eeuw opeens als cultfiguur werd geëerd. “In tijden van globalisering werd deze koning het symbool van een trotse, onafhankelijke natie,” vertelt ze. Hierbinnen staat het narratief dat Thailand dankzij deze koning nooit gekoloniseerd is geweest centraal. “De koningscultus toonde niet alleen trots, maar ook angst voor verlies in veranderende tijden.”

Heilig afval
Vlak voor Stengs’ start bij het Meertens Instituut werd Pim Fortuyn vermoord. Op televisie zag ze de herdenkingsrituelen op de plek waar de politicus was neergeschoten. Mensen brachten rode rozen, sigaren en flessen wijn mee. “Dat trof me, omdat ik precies dezelfde attributen ook had gezien bij altaren voor koning Chulalongkorn in Thailand,” vertelt ze. “Dezelfde rituele objecten, maar in een totaal andere context en betekenis.” Dat moment vormde het begin van haar fascinatie voor de materiële aspecten van herinneringscultuur.
Zodra een voorwerp onderdeel is van een gedenkplek, verandert de status ervan in emotioneel geladen herdenkingsmateriaal
Zo ontstond haar interesse voor wat we tegenwoordig bermmonumenten noemen. Ergens in de jaren negentig vindt er een verandering plaats. Mensen willen niet langer privé of in stilte rouwen om degenen die in het openbare domein door verkeer of geweld om het leven kwamen, maar hun emoties tonen om het verlies zichtbaar maken door de plek des onheils te markeren met bloemen, kaarsen, brieven of kruizen. Ze noemt de spullen die daar liggen ook wel ‘heilig afval’. Alledaagse dingen zoals bloemen of knuffels krijgen door ritueel handelen een andere betekenis. “Zodra een voorwerp onderdeel is van een gedenkplek, verandert de status ervan in emotioneel geladen herdenkingsmateriaal,” legt Stengs uit. “Het ligt daar in de regen en vergaat, maar het kan niet zomaar als afval worden weggegooid.”

Het Meertens Instituut bewaart een deel van het Pim Fortuyn-herdenkingsmateriaal
In haar werk onderzoekt Stengs dit spanningsveld tussen bewaren en weggooien: Wie beslist wat bewaard wordt of wat tot afval bestempeld wordt? Wat zijn de criteria? Er bestaat geen protocol voor het opruimen van herinneringsplekken. Families, gemeentes of instanties moeten steeds opnieuw bedenken wat ze met de objecten willen doen. “In sommige gevallen wordt een deel van het materiaal als historisch of cultureel waardevol beschouwd. Het wordt dan opgeslagen in musea of archieven, zoals bijvoorbeeld het Meertens Instituut, waar een selectie van het Fortuyn-herdenkingsmateriaal wordt bewaard. “Daarmee heeft dit materiaal een nieuwe status als erfgoed gekregen. Hierdoor is het makkelijker om een ander deel, bijvoorbeeld de aangetaste knuffels, toch weg te gooien.”
Bloemen vergaan, maar dat wil niet zeggen dat ze altijd worden weggegooid. Er zijn voorbeelden waarbij de bloemen gecomposteerd worden om daarna ritueel te worden uitgestrooid. “Een goed voorbeeld is de Pim Fortuyn herdenking van tien jaar na zijn dood, waarbij de ‘Vrienden van Pim’ een met hekken afgeschermde ‘neo-herdenkingsplek’ van door hen bewaarde objecten afkomstig van de gedenkplekken uit 2002 hadden opgebouwd. Voorwerpen die dus niet in de Meertenscollectie zitten. Aan het hek hing een bord waarop werd aangekondigd dat neergelegde bloemen zouden worden gecomposteerd en daarna uitgestrooid.”

Nieuwe vormen van het heilige
Heilig afval spreekt Stengs aan omdat er een tegenstrijdigheid wordt opgeroepen: hoe kan iets dat heilig is tegelijkertijd ook afval zijn? “Mensen denken de controle over de materie te hebben”, zegt ze, “maar heilig afval laat zien dat er van het herdenkingsmateriaal een dwingende kracht uitgaat: het verzet zich tegen zomaar weggooien.” Het heilige in heilig afval laat zien dat sacraliteit niet tot religieuze kaders beperkt hoeft te zijn. Vanuit hedendaags sociaalwetenschappelijk perspectief bestaat er namelijk geen strikte grens tussen religieus en seculier. “Seculariteit is niet de afwezigheid van geloof,” zegt ze, “maar omvat nieuwe of andere manieren om het sacrale te ervaren.”
Veel mensen in Nederland verlaten de kerk en creëren dan vervolgens hun eigen rituelen rond geboorte, liefde en de dood. In de afgelopen jaren onderzocht ze uiteenlopende voorbeelden, waaronder de muzikale paasvertelling The Passion. Daarin ziet ze hoe oude religieuze thema’s nieuwe betekenissen krijgen. “Bij The Passion lopen religie, entertainment en erfgoed door elkaar heen. De liedjes zijn seculier, maar binnen de opvoering krijgen ze een bijna sacrale kracht.” Samen met Ernst van den Hemel onderzocht ze de symboliek en de materialiteit van The Passion: hoe via muziek, beelden en emoties betekenisgeving wordt opgeroepen. The Passion wordt tegenwoordig vooral gepresenteerd als een universeel verhaal over verbinding en vriendschap, meer dan als een opvoering met de nadruk op het religieuze.
Blik vooruit: onderzoek stopt niet bij pensioen
Hoewel Stengs met pensioen gaat, blijft ze actief als gastonderzoeker aan het Meertens Instituut en als professor emeritus aan de Vrije Universiteit. Zo heeft ze nog veel materiaal over braderieën en de huishoudbeurs waar ze mogelijk iets mee gaat doen. “Dat mensen dit ‘kneuterig’ of oubollig noemen, zegt veel over smaak, klasse en identiteit, en is ook een onderdeel van alledaagse cultuur waar maar relatief weinig antropologisch onderzoek naar gedaan wordt.”
Verder is Stengs ook geïnteresseerd in de veranderende relatie tussen mensen en bomen, een verandering die vooral zichtbaar wordt in de rituele omgang. Voor veel mensen zijn bomen emotionele, begrijpende wezens: levend, groeiend en stervend. Dat wil zeggen, meestal gaan mensen een persoonlijke relatie aan met een specifieke boom, dus niet met ‘alle bomen’ of ‘het bos’. Mensen proberen zulke bomen soms met geneeskrachtige rituelen letterlijk in leven te houden of anders te laten voortleven door ze te stekken en zaailingen te kweken, of van het hout een aandenken te maken. “Zo ontstaan er weer nieuwe gesacraliseerde objecten,” zegt ze. “Het is een voorbeeld van hoe erfgoed gemaakt wordt.”

Met onderzoek is ze dus voorlopig nog niet klaar. Wat ze dan het meest gaat missen aan haar werk op het instituut? “De interactie met collega’s. De gesprekken tijdens de koffie, een spontane gedachtewisseling over ontwikkelingen in de wereld of een tip uit onverwachte hoek zijn zó waardevol.” Enthousiast vertelt ze hoe ze altijd genoot van de diversiteit aan mensen met wie ze mocht samenwerken. “Die wisselwerking ga ik echt missen,” zegt Stengs. “Kennis delen is kennis vermeerderen en dat gebeurt in interactie.”
Symposium en afscheidsrede
Op donderdag 29 januari 2026 organiseert het Meertens Instituut een ‘rite de passage’- symposium ter ere van de pensionering van Irene Stengs, met als titel Unpacking the Unruly: Paradoxes of Sacralization/Desacralization. Het symposium is bedoeld voor vakgenoten geïnteresseerd in de thematiek sacralisatie/desacralisatie. Meld je hier aan.
Op vrijdag 30 januari 2026 houdt Irene Stengs haar afscheidsrede aan de VU, met als titel: Halloween, potloden, bomen… Over het onbeheersbare in alledaagse cultuur. Iedereen is welkom.

