Uitgelicht

Van postzegel naar panel: De digitale vragenlijsten 1-34 van het Meertens Instituut (2002-2023)

‘Nog iets’ zegt Maarten Koning in het eerste deel van Het Bureau tegen directeur Beerta: ‘Wie doet nu de verzending van de vragenlijsten?’

Door: Judith Brouwer en Douwe Zeldenrust

Zoals veel scènes in de romancyclus Het Bureau is ook bovenstaande scène gebaseerd op een gebeurtenis die de schrijver, de volkskundige J.J. Voskuil, tijdens zijn werk op het toenmalige P.J. Meertens-instituut heeft meegemaakt. De vragenlijsten vormen de ruggengraat van de collecties van het Meertens Instituut en worden al meer dan negentig jaar uitgezet bij honderden, soms duizenden informanten. Dat gebeurde decennialang per post; het was een flinke klus waarbij de kosten van de postzegels opliepen. De verdeling daarvan zorgde, als we Voskuil moeten geloven, voor spanningen tussen de afdelingen.

Maar met de komst van het internet behoort de aanschaf van de postzegels tot de verleden tijd. Vanaf 2002 gebeurt het uitzetten van vragenlijsten op digitale wijze. De papieren vragenlijsten (meer dan 220 lijsten) zijn in verschillende overzichten ontsloten, waarvan het laatste overzicht in 2021 is verschenen. Van de digitale vragenlijsten ontbrak echter zo’n nadere toegang. Tot nu.

Van papier naar digitaal

Bij het instituut werd al vroeg geëxperimenteerd met digitalisering en vanaf eind jaren ’90 werd er volop op ingezet. Zo ook bij de vragenlijsten. In 2002-2003 is een digitale testenquête over voornamen verspreid. Deze vormde de overgang naar het digitale model. In 2004 en 2005 werden de laatste papieren etnologie- en taalvariatievragenlijsten verstuurd. De enquête ‘Beeldvorming over tatoeages’ (2006) was hybride, dat wil zeggen zowel in papieren als in digitale vorm; hierna waren de vragenlijsten alleen nog maar digitaal. Het instituut beschikte van oudsher over een informantenbestand. In digitale vorm wordt gesproken over het Meertens Panel. Vrijwel alle lijsten uit het overzicht zijn verspreid middels dit panel; een paar werden via het Meertens Instituut uitgezet, bijvoorbeeld door het verspreiden van een openbare link.

Traditioneel en interdisciplinair

In eerdere overzichten werd de traditionele driedeling van de vakgebieden van het Meertens Instituut gevolgd: zij behandelden óf volkskunde (later etnologie), óf dialectologie (later taalvariatie) óf naamkunde. De grenzen van de vakgebieden zijn echter in de loop van de tijd steeds minder strikt geworden. Daarnaast werden de vragenlijsten veelal afwisselend verzonden vanuit één platform, het Meertens Panel. Daarom vindt men in dit overzicht zowel etnologie- als taalvariatielijsten, en één digitale naamkundevragenlijst. Enkele enquêtes zijn zelfs interdisciplinair (fig. 1). In de afgelopen twee decennia zijn de lijsten vooral vanuit taalvariatie uitgezet. Etnologie maakte minder gebruik van de vragenlijsten om onderzoeksgegevens te verzamelen. De interdisciplinaire enquêtes zijn een pas zeer recent fenomeen.

Aantal vragenlijsten per jaar en discipline

Voornamen, vloeken en vlinders

De digitale vragenlijsten behandelen uiteenlopende onderwerpen. De testenquête over voornamen wees uit dat de 8877 informanten twintig jaar geleden vooral gecharmeerd waren van de namen Daan en Sanne. De vragenlijsten van taalvariatie hebben onder andere betrekking op vraagzinnen in alledaagse spreektaal, het gebruik van de werkwoorden ‘hebben’ en ‘zijn’, vloeken en klemtonen in bedachte woorden. De taallijsten met de meeste deelnemers vinden we terug bij de projecten ‘De staat van het Nederlands’ (7375) en ‘Vertrokken Nederlands’ (6457).

De papieren etnologische enquêtes kenden een sterke traditie in het onderzoek naar feestdagen en kalenderfeesten. De digitale enquête over decemberfeesten is daar een laatste voorbeeld van. Andere lijsten werden onder andere ingezet voor onderzoek naar beeldvorming over tatoeages, Oranjegezindheid en alternatieve geneeswijzen. De interdisciplinaire lijsten ten slotte, bestaan sinds 2020. De eerste bevatte vragen over de beleving van de coronapandemie en over taalgebruik en uitspraak. De tweede stelde het contemporaine gebruik van geurwoorden in de Nederlandse taal en aanverwante talen/dialecten centraal.

De antwoorden geven soms een bijzonder inkijkje in de gedachtewereld van de respondent. In de tatoeagelijst werd bijvoorbeeld gevraagd naar de reden van het laten zetten, waarom dat niet eerder was gebeurd en aan wat voor toekomstige afbeelding men dacht. Een vrouw antwoordde dat ze al op zestienjarige leeftijd een tatoeagewens had; destijds leek haar een vlindertje op het bovenbeen ‘mooi en apart’. Het verlangen werd pas na lange tijd vervuld:

‘Eerst vond mijn vader het afschuwelijk (“je bent mijn dochter en geen zeeman”) toen mijn man (“ik ga niet naast een getatoeëerde vrouw lopen”). Beiden zijn overleden en toen er in het winkelcentrum van Den Haag een tattooshop werd gevestigd bedacht ik dat er helemaal niemand is die mij ervan kan weerhouden een tatoeage te nemen!’ En waar viel de keuze van de vrouw uiteindelijk op? ‘Ik dacht aan iets liefs zoals een vlinder, roos of zo op m’n enkel. Het werd een tribal. Nu aarzel ik over een tweede tatoeage boven mijn rechterborst. Het liefst een hagedis.’

Voorbeeld van een tribal, in de literatuur bekend als ‘tramp stamp’ of ‘aarsgewei’. Bron: website Bad Reputation – A feminist pop culture adventure

Meer informatie

Het nieuwe overzicht is te raadplegen via de website van de Vragenlijstenbank: De digitale vragenlijsten 1-34 (2002-2023) van het Meertens Instituut. Daarnaast is het Meertens Instituut nog steeds actief met het uitzetten van nieuwe enquêtes. In dat kader zoekt het Meertens Panel nog steeds vrijwilligers. U kunt zich hier aanmelden en meewerken aan het onderzoek. Voor meer informatie over de vragenlijsten en de beschikbaarheid van de gegevens (en van andere collecties) kunt u contact opnemen met Judith Brouwer (Research Data Manager): judith.brouwer@huygens.knaw.nl en Douwe Zeldenrust (Manager Collecties & Senior Research Data Manager): douwe.zeldenrust@huygens.knaw.nl.

Bronnen

Henk Schiffmacher en Almar Seinen, Lexicon der tatoeages. Van Aarsgewei tot Zwitserland (Amsterdam 2008)

J.J. Voskuil, Het Bureau deel 1: Meneer Beerta. 17e druk (Amsterdam 2002) p. 327