Uitgelicht
Publicatiedatum: 18 mei 2026

Een bloedhekel aan grammatica en toch schreef hij er vijfduizend pagina’s over

Hans Broekhuis had een bloedhekel aan grammatica op school, maar toch schreef hij uiteindelijk vijfduizend pagina’s over de zinsbouw van het Nederlands, het grootste syntaxiswerk in de geschiedenis van de neerlandistiek. Nu hij met pensioen gaat bij het Meertens Instituut, blikt hij terug op een loopbaan waarin syntaxis nooit een verzameling regels was, maar vooral een intellectuele puzzel.

Door: Britt van Sloun

Wie Broekhuis over syntaxis hoort praten, merkt al snel dat hij het niet over schoolgrammatica heeft. Op de middelbare school ervoer hij grammatica als een reeks regels die je uit je hoofd moest leren. Pas tijdens zijn studie Nederlands veranderde dat beeld radicaal. Hij ontdekte dat grammatica ook iets anders kan zijn: zoeken naar patronen, hypotheses formuleren, controleren of ze kloppen. “Voor iemand met een bèta-achtergrond voelde dat meteen vertrouwd. Het leek wel natuurwetenschap,” zegt Broekhuis.

De puzzel van de zinsbouw

Dat onderzoekende bleef de kern van zijn werk. Syntaxis, zegt Broekhuis, gaat over hoe zinnen en de woordgroepen daarin in elkaar zitten. Vaak gaat het daarbij om dingen die de meeste taalgebruikers nauwelijks opmerken. Neem de woordvolgorde van werkwoorden aan het eind van een Nederlandse zin als Ik weet dat Jan dat boek graag zou hebben gekocht: de volgordes gekocht zou hebben en zou gekocht hebben zijn ook mogelijk maar niet voor alle sprekers of in alle dialecten.  

Ondanks dergelijke verschillen tussen sprekers/dialecten stort de communicatie niet in. Mensen begrijpen elkaar meestal prima: “We zijn behoorlijk behulpzaam naar elkaar toe. Ik wil weten wat jij zegt. Hoe je dat zegt maakt me in een gesprek niet zo veel uit.” In het dagelijks leven is het ook niet erg zinvol om hier analytisch naar te kijken: “Een gesprek is geen taalkundig experiment”, zegt Broekhuis met zelfspot, “thuis krijg ik van mijn partner ook weleens te horen dat ik haar taalgebruik niet moet analyseren”. Maar daar wordt het wel interessant: als er zoveel variatie mogelijk is, waar ligt dan de grens? Wat kan nog wel, en wat niet meer? Dit is een kernvraag van de syntaxis en de groep variatielinguïstiek waar hij nu al ruim 15 jaar deel van uitmaakt.

Die analytische manier van kijken maakt syntaxis mooi voor Broekhuis. Een losse observatie is pas het begin. Het echte plezier zit voor hem in de momenten waarop verschillende taalverschijnselen samen blijken te hangen. Hij wijst daarbij bijvoorbeeld op woorden als zichzelf en hem/haar. “Zulke vormen hebben dezelfde functie in de zin dat ze verwijzen naar een eerdergenoemde persoon of zaak, maar hebben heel verschillende distributies, zoals blijkt uit het feit dat Els weet dat Marie zichzelf bewondert iets heel anders betekent dan Els weet dat Marie haar bewondert. Dit distributieverschil kan vanuit algemenere principes verklaard worden en dat is de charme van het vak, abstractie die verheldert”.

Een levenswerk in acht delen

De fascinatie voor zinsbouw kreeg vorm in Syntax of Dutch, het project waarmee Broekhuis al decennialang verbonden is. Het begon in de jaren negentig als een groot maar overzichtelijk NWO-project dat streefde naar een beschrijving van de Nederlandse grammatica die de belangrijkste syntactische kennis beknopt bijeen zou brengen. Een klein team bestaande uit Hans Broekhuis, Marcel den Dikken (later Evelien Keizer) en Riet Vos zou het project in drie jaar uitvoeren. Dat bleek veel te optimistisch: “Al heel snel bleek dat het niet bepaald beknopt was,” zegt Broekhuis droog.

Het project was na drie jaar nog niet halverwege en stond daarna 12 jaar vrijwel stil uit gebrek aan geld. Maar dankzij een nieuw NWO-project dat beoogde te komen tot een internetgrammatica, kon hij het werk samen met Norbert Corver voltooien. De Syntax of Dutch werd opgenomen in Taalportaal en verscheen tussen 2012 en 2019 als achtdelige reeks bij Amsterdam University Press. In juli verschijnt er bij Routledge een tweede, geheel gewijzigde en uitgebreide editie, die ook als (gratis) Open-Acces publicatie gedownload kan worden en opnieuw in het Taalportaal opgenomen zal worden. 

Met Syntax of Dutch wilde Broekhuis vooral iets maken waar anderen mee verder konden. Niet nog een theoretisch boek voor een kleine groep ingewijden, maar een overzicht van de Nederlandse zinsbouw dat ook echt bruikbaar zou zijn voor meer taalkundigen. “Veel van de theoretische literatuur is ‘beremoeilijk’ voor wie er niet in thuis is,” zegt hij. Daarom bracht hij zoveel mogelijk inzichten en gegevens samen in een vorm die toegankelijker is. Ook om deze reden past het project zo goed bij het Meertens Instituut. Een volledig overzicht van de Nederlandse syntaxis is volgens Broekhuis op dit moment alleen haalbaar aan de hand van het Standaardnederlands, niet omdat dat hoger zou staan, maar omdat die variëteit nu eenmaal het best beschreven is.

Het Meertens Instituut gaf vrijheid

Sinds 2010 vond Broekhuis bij het Meertens Instituut de ruimte om verder te werken aan Syntax of Dutch. Juist die vrijheid was voor hem van grote waarde: de vrijheid om zijn eigen agenda te bepalen, om niet te publiceren voordat iets rijp was, en om een project te dragen dat commercieel misschien niet interessant was, maar wetenschappelijk wel van groot belang. “Dit soort banen zijn heel uniek,” zegt hij. “De vrijheid die je krijgt om te doen wat je wilt doen, dat is echt heel bijzonder.” Hij ziet die vrijheid in de huidige academische wereld wel steeds verder onder druk komen te staan. Onderzoekers publiceren volgens hem (en anderen) vaak te vroeg, onder druk van aanstellingen en beoordelingscycli. Broekhuis publiceerde zelf meer dan honderd keer, maar voor hem ging het nooit om zoveel mogelijk stukken naar buiten brengen. Kwaliteit ging voor kwantiteit, en bij het Meertens Instituut kreeg hij de ruimte om daaraan vast te houden.

Met pensioen, maar de vragen blijven

Of Broekhuis zelf nog onderzoek blijft doen, weet hij nog niet. Maar hij is wel duidelijk over dat er nog veel te onderzoeken valt. “Ik heb nog heel veel vragen en hoop dat mijn collega’s die ook blijven stellen,” zegt hij.

Een van de grootste blijft hoe kinderen taal leren. Hoe kan het dat een kind in een paar jaar een systeem oppikt waar taalkundigen zich hun hele loopbaan over buigen? Die vanzelfsprekendheid van taalverwerving blijft hem verbazen. Daarnaast hoopt hij dat dialectonderzoekers zijn beschrijving van het Standaardnederlands als referentiepunt gaan gebruiken. Hoe verschilt het Limburgs van het Standaardnederlands? Het Fries? Tussentaal in Vlaanderen? De Syntax of Dutch kan voor een nieuwe generatie taalkundigen een belangrijk vertrekpunt zijn.

Ook over de toekomst van het Nederlands is hij niet somber. “Woordenschat verandert altijd, dat is van alle tijden, zoals de Rederijkers in de zestiende eeuw vol Franse leenwoorden zaten,” zegt hij. “Syntaxis is taaier. Die verandert over eeuwen, niet binnen decennia.” Dat het Nederlands zou verdwijnen, acht hij dan ook niet waarschijnlijk. “Het enige wat het Nederlands echt zou kunnen doen verdwijnen, is als de Lage Landen onder water lopen, of als we worden overgenomen door een ander land.” Wat hij bij zijn pensioen het meest zal missen, zijn de collega’s. “Niet de vergaderingen, niet de rapporten, niet de subsidieaanvragen, maar de mensen. De taalvariatiegroep zoals die de laatste vijf jaar gevormd is, werkt heel goed samen. Ze hebben veel respect voor elkaar. Ik heb het gevoel dat ze het goed doen samen.”


Afscheidssymposium

In het voorjaar van 2026 neemt Hans Broekhuis afscheid van het Meertens Instituut. Ter gelegenheid van zijn pensionering organiseert LiME (‘Linguistics at Meertens’, de groep taalonderzoekers van het Meertens Instituut) op 8 juni 2026 een informele linguïstische bijeenkomst op het IISG in Amsterdam: ‘Een leven lang sleutelen aan de Nederlandse syntaxis. Een pensioneringsviering ter ere van Hans Broekhuis’.

Meer informatie en aanmelden kan hier