Onderzoek: Jongerenpanel werpt nieuw licht op straattaal
Waarom gebruiken jongeren straattaal, en welke woorden blijven hangen? Taalonderzoekers Khalid Mourigh, Kristel Doreleijers en Stef Grondelaers onderzochten het via een nieuw jongerenpanel.

Amsterdamse straattaalwoorden uit de jaren ’90 zijn nog steeds gangbaar, zo blijkt uit het onderzoek. Bovendien zijn ze verspreid geraakt door heel Nederland. De onderzoekers schreven over de resultaten in het nieuwste nummer van Onze Taal.
Al ruim een kwart eeuw straattaal in Nederland
Het onderzoek bouwt voort op het eerste wetenschappelijke werk over straattaal in Nederland, gepubliceerd door René Appel in 1999. Hij beschreef hoe Amsterdamse middelbare scholieren allerlei leenwoorden gebruikten in hun omgangstaal.
De gedachte is vaak dat straattaal een vluchtig modeverschijnsel is. Woorden die eind jaren negentig populair waren, worden tegenwoordig toch niet meer gebruikt? Om dit te onderzoeken, legden de onderzoekers de woorden van Appel voor aan het Meertens Jongerenpanel. Dit panel, opgericht in 2024, bestaat uit honderden leerlingen van middelbare scholen in Nederland, Vlaanderen en Curaçao. De leerlingen rapporteerden zelf over hun straattaalgebruik in de lessen Nederlands – een vernieuwende aanpak die nog niet eerder bij dit ondewerp is toegepast. In totaal vulden 573 jongeren de vragenlijst in. In het artikel voor Onze Taal staan de resultaten van Nederlandse jongeren centraal.
Door heel het land
Uit de resultaten blijkt dat jongeren veel woorden uit het onderzoek van Appel nog herkennen en ook regelmatig nog gebruiken. Vooral woorden als loesoe (‘weg’), chickie (‘meisje, lekker wijf’), fittie (‘vechten, gevecht’), pasen (‘geven’), patta’s (‘schoenen’) en jonko (‘joint’) zijn nog populair. Ze zijn door heel het land verspreid geraakt. Sommige woorden hebben in de loop der jaren wel een andere betekenis gekregen, zoals het woord loesoe, dat tegenwoordig eerder ‘losgaan’, ‘gek’ of ‘wild’ betekent.
Meertaligheid
Uit het onderzoek blijkt dat zowel jongens als meisjes straattaal gebruiken. Jongens doen dat vaker omdat ze het stoer vinden (het straalt ‘straatwijsheid’ uit), terwijl meisjes straattaal vooral voor de grap gebruiken. Hoewel alle jongeren wel enige kennis van straattaal hebben, geven vooral jongens met een (niet-Westers) meertalig profiel aan dat ze straattaal gebruiken. Bij meisjes vonden de onderzoekers geen verband tussen meertaligheid en het gebruik van straattaal.
Spannend, exotisch en interessant
Hoewel straattaal de afgelopen decennia echt voet aan de grond heeft gekregen, vinden veel mensen het nog steeds een spannend onderwerp. Sommigen vinden straattaal exotisch of ze denken dat het een bedreiging is voor het Nederlands. René Appel gaf eind jaren negentig al aan dat straattaalsprekers geen slechtere taalgebruikers zijn. Juist ook jongeren die goed zijn in taal, gaan er creatief mee om. De onderzoekers merkten ook dat scholieren veel interesse hebben in straattaal en jongerentaal, bijvoorbeeld voor hun profielwerkstuk. Regelmatig bezoeken ze het Meertens Instituut om interviews te houden en meer te ontdekken over hun eigen taalgebruik en dat van leeftijdsgenoten.
Vervolgonderzoek bij volwassenen
In vervolgonderzoek, via het reguliere Meertens Panel, zoeken de onderzoekers uit of ook volwassenen, ‘de jongeren van toen’, (nog) straattaalwoorden herkennen en gebruiken. Sommige woorden zijn natuurlijk in het woordenboek van de standaardtaal beland, zoals doekoe (‘geld’), maar dan met het label ‘informeel’ of ‘jongerentaal’. Jongeren vinden het vaak cringe als volwassenen straattaal gebruiken, maar als bepaalde woorden echt ‘ingeburgerd’ raken in het Nederlands, kun je je natuurlijk afvragen of je ze nog wel straattaal kunt noemen.
Artikel in Onze Taal
Het hele artikel met meer uitleg over het onderzoek en (hedendaagse) straattaal lees je in het nieuwste nummer van Onze Taal, directe link: ‘Hoe straattaal heel Nederland veroverde’. Op de website van Onze Taal staat bovendien gratis lesmateriaal bij het artikel, ontwikkeld in overleg met de onderzoekers, zodat docenten en leerlingen er in de klas verder mee aan de slag kunnen gaan.

